|
Een menswaardig levenseinde Jacinta De Roeck, Marc Cosyns, Wim Distelmans Moderator: Kasper Raus I-Brain & Ageing zondag 25 november 2012 De Bijloke
Dat het belangrijk is om te blijven nadenken over wat een menswaardig levenseinde inhoudt behoeft weinig uitleg. Enkele van de bekendste Vlaamse voorvechters voor zo’n waardig levenseinde bespraken in het kader van de Dag van de Wetenschap op het I-Brain & Ageing-festival in Gent de uitdagingen bij het garanderen van een goed sterven voor oudere patiënten.
Na een korte introductie van de panelleden brengt Kasper Raus het debat op gang met de vraag welke elementen een waardig levenseinde zou moeten bevatten. Directrice van de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging Jacinta De Roeck brengt zelfbeschikking aan als een eerste belangrijke zaak waarmee rekening mee moet gehouden worden; men moet zelf op een bepaald moment kunnen aangeven dat het genoeg is geweest. Huisarts Marc Cosyns nuanceert deze uitspraak door tevens de nadruk te leggen op de samenspraak die er moet bestaan tussen patiënt, familie en hulpverleners. Voorzitter van de Federale Commissie Euthanasie en van het LevensEinde InformatieForum Wim Distelmans zegt dat ‘sterven op zich al erg genoeg is’ en dat indien pijn vermeden kan worden, hulpverleners hierin de patiënt tegemoet moeten komen.
De groep is het eens dat een waardig levenseinde moet kunnen op een zuivere basis, los van het economische debat. Dit verwezenlijken is steeds moeilijker door de toenemende vergrijzing en dementie. Volgens Cosyns is het een kwestie van keuzes maken; er is geld genoeg. Men moet zich dringend vragen stellen bij het investeren in hoogtechnologische ontwikkelingen voor de laatste levensjaren terwijl er een gebrek aan verzorging (woon- en zorgcentra, verpleegkundigen, …) is. Zou dit geld niet beter worden geïnvesteerd in palliatieve zorg om zo tot een ontwikkelde mantelzorg te komen?
De rol van politici en de huisarts is ook erg bepalend bij een waardig levenseinde.
Meer dan tachtig procent van de medische wereld vraagt om een uitbreiding van de euthanasiewet. Politici verschuilen zich achter het economische gegeven (‘het is crisis’) en bemoeilijken zo een zuivere debatvoering meent De Roeck. Een uitbreiding van de wet lost niet alles op, aldus Distelmans. In Nederland kan men, in tegenstelling tot België, via een wilsverklaring euthanasie verkrijgen wanneer men dement is. Omdat artsen hier nog vaak weigerachtig tegenover staan wordt deze maatregel niet altijd in de praktijk gebracht.
Vroeger lag in de huisartsenopleiding de focus enkel op genezen en hing sterven in de taboesfeer. Nu worden in het eerste jaar van de opleiding geneeskunde communicatielessen geïmplementeerd wat het onderwerp meer bespreekbaar maakt. Aan de andere kant hebben ouderen vaak schrik om met de huisarts te praten. Mensen van boven de zeventig jaar hebben schrik om elkaar te verliezen en naar een rusthuis te moeten gaan. Men wil zelfredzaam zijn. Een goede huisarts is zeer belangrijk en heeft dus een cruciale rol in deze dialoog.
Een ander pijnpunt is dat een wilsverklaring vaak niet meer mogelijk is. De wilsverklaring euthanasie beperkt zich tot een situatie van een onomkeerbare coma. In alle andere situaties – dementie, verlies van communicatiemogelijkheden, omkeerbaar coma – is de verklaring waardeloos. Een kafkaiaanse toestand volgens Distelmans, aangezien dementie een toenemend probleem vormt. Bij het opmaken van je wilsverklaring zijn twee getuigen nodig. Na vijf jaar vervalt je wilsverklaring en moeten de getuigen het formulier opnieuw invullen. Het gevoel dat getuigen dan hebben, dat men ‘iets moet doen’ bij het opstellen van een ander zijn wilsverklaring, zou moeten verdwijnen door uitbreiding van de wet volgens De Roeck.
Een enorme patstelling volgens Cosyns is dat sluipwegen die werden gebruikt vòòr het bestaan van de wet, vandaag opnieuw worden gebruikt vanwege de beperktheid van de wet.
Via een negatieve wilsverklaring of levenstestament, dat onbeperkt geldig is, kan men op voorhand behandelingen weigeren (bijv. sondevoeding bij dementie). Bij het weigeren van kunstmatige toediening van vocht en voeding kan men geen afscheid nemen aangezien men geen besef meer heeft.
Palliatieve sedatie, waarbij men via het toedienen van sedativa de patiënt in een lagere staat van bewustzijn brengt vlak voor zijn dood, wordt vaak misbruikt als sluipweg. Palliatieve sedatie is normaal medisch handelen, in tegenstelling tot euthanasie, waarbij men het leven beëindigt op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt. Wanneer men de status van coma bereikt worden soms de dosissen sedativa zo verhoogd om via deze sluipweg het leven te beeïndigen. Het initiatief kan van de patiënt of van de arts komen, maar het is de arts die in eer en geweten moet beslissen. De bal komt zo terug in het kamp van de arts.
Uit het publiek kwam de vraag of het ontwikkelen van een ‘zelfmoordkit’ geen manier kan zijn om de arts hierin tegemoet te komen. In Nederland is het mogelijk dat men na het doormaken van enkele consultaties zo’n kit kan bekomen. In België is dit niet mogelijk. Daarbij is het moeilijker om een wet te maken rond iets dat maatschappelijk niet aanvaard is.
De uitbreiding van de euthanasiewet in het kader van dementie heeft veel aanhang, in tegenstelling tot assistentie bij zelfmoord. Hulp bij zelfdoding is strafbaar in Nederland, terwijl dit in België niet zo is. De uitbreiding van de euthanasiewet bespreekbaar maken in België zou dus ‘makkelijker’ moeten gaan. De vele vragen uit het publiek tonen dat veel mensen met vragen zitten rond euthanasie, dementie en wat mogelijk is om een menswaardig levenseinde te organiseren. Want, zoals De Roeck op het einde besloot, het is mooi om iemands wil te zien worden uitgevoerd en deze te respecteren.
Tess Bertels
|