|
Hoewel het idee dat ook de mens en zijn gedrag (mee) “bepaald” zijn door de evolutie, kwam deze stelling pas onder vuur te liggen nadat Edward O. Wilson de knoert Sociobiology publiceerde in 1975. Nadat in de volgende jaren eerst een hevig debat (soms op het randje van een persoonlijke strijd) woedde, leek de storm eindelijk te gaan liggen. Maar uit de sociobiologie ontstond een nieuwe stroming, evolutionaire psychologie geheten, die de draad opnieuw oppikte.
Hoewel het debat minder op het scherp van de snee wordt gevoerd, blijft het veilig te stellen dat in het bijzonder rond de eeuwwisseling de polemiek opnieuw opflakkerde. Niet alleen publiceerden steeds meer evolutionaire psychologen populairwetenschappelijke werken (Steven Pinker, David Buss…), ook hun tegenstanders maakten via boeken en artikels hun afkeer van deze “nieuwe” stroming kenbaar. In 2000 publiceerde ook Geoffrey Miller zijn eerste boek The mating mind: how sexual choice shaped the evolution of human nature waarin hij als centrale hypothese niet alleen stelde dat de hersenen onder evolutionaire druk geëvolueerd zijn maar ook dat culturele uitingen, humor en dergelijke meer een gevolg zijn van deze evolutionaire wedloop.
Dat Miller nog steeds vasthoudt aan deze ideeën / principes maakt zijn laatste boek Darwin en de consument. Seks, status en het brein meteen duidelijk. Jammer genoeg lijkt Miller zijn ideeën de voorbije tien jaar nauwelijks verfijnd te hebben waardoor het nogal snel een karikaturaal herhalen van de stelling “gedrag X plegen we omdat het ooit evolutionair voordelig was om dit te doen” wordt zonder dat er daarom ook een bewijsvoering de naam waardig aan wordt verbonden. Miller drijft zijn denkbeelden en verklaringen zover door dat het net geen pastiche wordt.
Maar wat het boek echt vermoeiend om te lezen maakt, is Millers afkeer van alles wat ook maar vaagweg naar marketing en consumentisme ruikt. Met een geestdrift die zelfs door menig marxist als iets te voortvarend beschouwd zou worden, keert hij zich tegen alle mogelijke vormen van verbruik als zouden het zinloze verspillingen van ons potentieel zijn, en krampachtige tot mislukken gedoemde pogingen om de ander ervan te overtuigen dat we waardevolle partners zijn. Dat zijn argumenten hierbij sterk bediscussieerbaar zijn, is nog zwak uitgedrukt.
Hoewel de eerste hoofdstukken moeizaam lezen doordat ze niet veel meer zijn dan simplistische en vervelende aanvallen op egoïstische gebruikers en marketeers, verbleken ze bij de rest van het boek waarin Miller zijn theorie van de grote zes verkondigt. Deze grote zes zijn de zes eigenschappen die bij alle mensen voorkomen en waarop we elkaar beoordelen: intelligentie, openheid, zorgvuldigheid, vriendelijkheid, extraversie en stabiliteit. Miller is er heilig van overtuigd dat ieder mens met deze zes parameters kan worden gedefinieerd en bouwt de rest van zijn boek hierop verder. Zo dient een diploma van een belangrijke universiteit louter om aan te tonen hoe intelligent we wel niet zijn opdat we meer partners zouden kunnen versieren, hangt de manier waarop we open staan voor anderen samen met de mate waarin onze voorouders risico’s liepen op besmetting door parasieten, enzovoort. Hierbij verwijst Miller, het moet gezegd worden, geregeld naar onderzoeken maar vermeldt hij nergens bronnen en negeert hij netjes alle mogelijke tegenargumenten.
Zonder voetnoten of bibliografie waarmee een aantal vergaande claims onderzocht kunnen worden, is het gemakkelijk om Millers stellingen als die van een fantast te beschouwen. Elke vorm van nuancering lijkt te ontbreken (hij zegt net niet dat marketeers slechte domme mensen zijn) en controleerbare bewijzen of argumenten en weerleggingen van mogelijke kritieken ontbreken volledig.
Darwin en de consument. Seks, status en het brein wil een populairwetenschappelijk werk zijn maar ook een (terechte) aanklacht tegen een ongebreideld consumentisme. In zijn bekeringsdrang holt Miller echter zichzelf zo voorbij dat hij uiteindelijk niet meer dan een zwak onderbouwde en hoogst discutabele aanval op de moderne consument brengt. In het laatste hoofdstuk brengt Miller nog enkele interessante ideeën naar voren over nieuwe belastingsvormen die ook het milieu ten goede zouden komen. Jammer genoeg is het kalf op dat moment al lang verdronken.
Indien het Millers doel was om de lezer ervan te overtuigen dat evolutionaire psychologie iets kan vertellen over ons koop- en consumeergedrag dan is hij daar jammerlijk in gefaald. Met dit boek wenst hij mensen aan te zetten om minder te verbruiken en te kopen; het links laten liggen van dit werk is alvast een stap in de goede richting. Het is echter maar de vraag of dat ook de bedoeling van de auteur was.
|