|
Een vreemde titel die een voorwoord nodig heeft om “verklaard” te worden. De auteur parafraseert de plakbrief op verkrotte woningen “Onbewoonbaar verklaarde woning” naar “Onverklaarbaar bewoonde hersenen”.
Bert Keizer, arts en filosoof, schreef zijn ervaringen op terwijl hij enige tijd meeliep op een universitaire afdeling voor neurochirurgie. Observerend, plastisch beschreven, bevragend en bedenkend.
Hierbij worden er veel patiëntencasussen door elkaar verhaald, maar steeds is de chronologie goed te volgen dankzij enkele typerende steekwoorden. De auteur heeft veel oog voor de zin en vooral voor de mogelijke onzin van sommige medische handelingen en de gevoelens die hiermee gepaard gaan bij arts en patiënt. Deze laatste komen helaas minder aan bod, omdat het overwegend ernstig cerebraal gehavende personen betreft die amper hun emoties kunnen laten blijken. Ook de discussie over de zin blijft spijtig genoeg vrij oppervlakkig. Nochtans leent het onderwerp zich bij uitstek tot diepzinnige, ethische overwegingen.
Als arts gebruikt hij nogal wat medische termen die amper worden verklaard. Erger zijn enkele medische onnauwkeurigheden of onjuistheden. Sommige afkortingen zijn moeilijk te achterhalen. Zo blijkt SEH te staan voor spoedeisende hulp, maar wat is een VVE-verklaring of APK? En van herhaalde versprekingen zoals “pretscan” (voor PETscan), blijft het onduidelijk of die cynisch gewild zijn. Maar het gaat niet zozeer om de wetenschap dan om journalistiek met een filosofisch tintje, aldus de auteur die het niveau situeert tussen dit van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en dat van de Volkskrant.
Keizer scheidt geest en hersenen. Hij ziet de hersenen als een bril die de geest opzet om naar de wereld te kunnen kijken. Een mens zit anders vast aan zijn brein dan aan zijn heup of darm. “Het brein is als een prothese waarmee de ziel in de wereld kan poeren”. Dit is misschien een gevleugelde metafoor, maar ze gaat voorbij aan de werkelijkheid. Kennelijk put de auteur er een soort troost uit om van mensen met een beschadigd brein, een kapotte bril, te kunnen blijven houden zoals voor de beschadiging. Maar hij geeft toe dat de mens niet door zijn hersenen in de steek kan worden gelaten, want hij valt ermee samen. Een lichaamloze geest bestaat niet. Hij noemt Van Lommel (bekend omwille van zijn geloof in bijna dood- of buitenlichamelijke ervaringen) dan ook een grapjas.
En toch kan Keizer niet aanvaarden dat het brein de geest maakt, zoals de nier urine (Dick Swaab). Hij heeft iets waarneembaars nodig. Hij dweept filosofisch met Noë en ziet geen noodzaak om ergens bewustzijn te plaatsen, want “een slagboom gaat niet beter omhoog als die bewustzijn zou hebben”. Bovendien is bewustzijn niet te vinden in de hersenen, want of we een auto zien of chocola proeven ligt niet aan de aard van de neuronale activiteit, maar aan de wereld, zegt Noë. Het wekt dan ook geen verbazing dat de auteur besluit dat er “na duizenden jaren filosoferen nog niets veranderd is in de filosofie”.
En dan de ziel. Die beschouwt hij als de pianist en het lichaam als de piano, waarbij de hersenen het toetsenbord zijn. Niet alleen (neuro) biologen zullen hier grote moeite mee hebben en dit is nog vriendelijk uitgedrukt.
De auteur gaat verder de romantische toer op wanneer hij het mensonterend vindt dat de mentale vermogens door één snede in het brein kunnen worden vernietigd terwijl de persoon voortleeft. Is dit niet eerder menskenmerkend? De schrijver kan een soort heimwee niet onderdrukken wanneer hij zo graag zou zien dat de ziel wegsprong onder het mes van de neurochirurg. Neurowetenschappers, zelfs met zin voor poëzie, vinden het vreemd dat men “geest” als een afzonderlijke (hersen) eigenschap ziet. Romantisch? Uitspraken zoals “de vervelende geur van orgaandonatie komt in de lucht te hangen” zijn dan toch dubbelzinnig te interpreteren!
Kortom, de auteur lijkt diep verstrikt geraakt in de onontkoombaarheid van geest en hersenen. Hij komt immers voort uit een middeleeuws wereldbeeld met de mens als kroon op de schepping en de ziel als een vonk goddelijkheid, zo geeft hijzelf toe. Hij geloofde zo graag in de apartheid als mens. In het boek drijft dit ongemakkelijk aanvaarden boven.
|