|
Vooraf enkele negatieve bemerkingen. De uitgever heeft de auteur en de lezers niet goed gediend: de tekst op de achterflap is zeer moeilijk te ontcijferen en is dus geen aanmoediging om het boek te lezen. Er is geen informatie over de auteur, in het boek is er geen bibliografie, geen personenregister of zakenregister. De bladspiegel is overvol en over het hele boek (ook op de kaft) zijn er druk- en zelfs dt-fouten. Als men begint te lezen moet men eerst wennen aan de zeer lange, maar goed gebouwde volzinnen (ondanks p.190 “mijn dyslectische handicap”) die de lezer er toe dwingen langzaam en als het ware proevend te lezen en op die manier mee te denken. Dat is ook wat de auteur op het oog heeft: doordringend omgaan met de inhoud, vorm en achtergrond van de wetenschappen die zich bezighouden met de studie van de functionerende mens, en tegelijk relativeren en kritisch rekening houden met het leven en streven van de schrijver, zodat men ook gedwongen wordt tot zelfreflectie. In zijn geheel een waardevol, boeiend en inspirerend boek. Doorheen het boek krijgt men informatie over de schrijver: Hij is Nederlander, geboren in 1931, enig kind, zoon van een belangrijk bibliothecaris (van moeder leerde hij alleen opruimen), studeerde psychologie en daarna psychoanalyse (maar werd niet toegelaten tot de praktijk wegens te kritisch), verhuisde naar sociale wetenschappen en dan naar visuele communicatie en kunst en houdt zich almaar meer bezig met studie van de mens via de neurobiologie. Over zichzelf zegt hij (p. 95): “De schrijver van deze essays is herkenbaar als iemand die men desnoods geleerd mag noemen, maar die toch nooit de ambitie vertoonde die, of het temperament bezat dat, hem tot een wetenschapper had kunnen maken”. Het poëtische Vagantenlied (56 p. lang) waarmee het boek eindigt situeert zijn hele leven, denken, beleven en schrijven en is een wezenlijk onderdeel van dit wetenschappelijk werk dat zo ook te vergelijken is met de “bekentenisliteratuur”. De hoofdstukken van dit boek (die hij essays noemt) proberen (p. 308-309) “te schetsen hoe wankel de verbindingen tussen de producten van ons directe beleven en de producten van ons indirecte beleven op tal van punten nog altijd zijn gebleven”. Ons innerlijk leven vangen we “enerzijds, nooit werkelijk in de woorden die wij vaak zo gemakkelijk en zorgeloos gebruiken, en wij herkennen het, anderzijds, nooit werkelijk in dat innerlijke leven dat zich, in een biologische diepte, en voorlopig nog buiten het bereik van een heldere en verstaanbare beschrijving, blijft voltrekken”. Tweemaal (p. 308 en 310) volgt daarop als slot: “Dient de vraag, of er binnen de groei van de kennis een proces van natuurlijke selectie plaatsvindt, binnen een ruimer (maatschappelijk, politiek, democratisch) kader te worden geplaatst dan het beperkte kader van de wetenschappelijke methodiek?” Anders gesteld is de opgave voor de geleerde (ook de descriptieve psycholoog) “die zich (p. 38) wil verdiepen in de achtergronden van het persoonlijke beleven van de mens waarop zijn aandacht zich richt, (dat hij) gespitst moet blijven op alle biologische, en vooral ook neuro-biologische, gegevens die hem kunnen helpen om de steeds opduikende kloof tussen het beluisterde beleven en het innerlijk leven – tussen het beleven en de somatische, of chemisch-fysische, basis van dit beleven – zo duidelijk mogelijk binnen het beeld te halen”. Gevolg is o.a. dat men moet aanvaarden dat “het ik”, “het zelf”, “het onbewuste” niet werkelijk bestaan. In de essays worden we daarom geconfronteerd met het wetenschappelijk en menselijk zoeken van Niko Tinbergen, Sigmund Freud, Richard Dawkins, Johannes Kepler, Steven Shapin, Karl Popper, Paul Feyerabend, William James en… Jan van Riemsdijk, o.a. geprikkeld door recente bijdragen van Mark Mieris, Mark Nelissen, Ap Dijksterhuis. Uit die confrontatie blijkt onder meer dat (p. 210) “persoonlijke waarden, of waardesystemen, die, zeker in eerste aanleg, weinig of niets met wetenschap, of met een wetenschappelijk streven, van doen hadden, toch tot wetenschappelijke doorbraken hebben geleid”. Met Paul Feyerabend stelt de auteur dat (p. 210) “de beoefenaars van de wetenschap hun werkstukken niet alleen (moeten) verantwoorden vanuit hun aangeleerde en methodische aanpak, maar dat zij ook (moeten) herkennen vanuit welke waarden, en waardesystemen, zij leven, en in welke mate deze waarden, als dragende waarden, hun zogenaamde wetenschappelijke objectiviteit een subjectieve grondslag zullen, of kunnen, geven”.
|