| Leven als bouwpakket |
|
|
|
Leven als bouwpakket is vooral interessant voor personen met interesse voor de geneeskunde en de mogelijkheden op dit gebied. In het boek wordt ingegaan op voornamelijk vier aspecten van de nieuwe biotechnologie, namelijk de interactie brein-machine, de overtuigingstechnologie, de moleculaire geneeskunde en de synthetische biologie. Bij interactie brein-machine wordt de vraag gesteld wat een lichaam definieert en tot welk punt men kan gaan om nog van een bepaald persoon te spreken. De moleculaire geneeskunde handelt in hoofdzaak over de mogelijkheden van de nanotechnologie en over het zien en voorzien van ziekten en op welk punt men mag ingrijpen: voor de ziekte uitbreekt (aanwezigheid van genen die mogelijk de ziekte zouden kunnen veroorzaken), bij de eerste symptomen of als de ziekte effectief uitbreekt. De synthetische biologie is de meest radicale: hier maakt men de mens, te beginnen van de kleinste bouwstenen: atomen en moleculen. Het handelt over het scheppen van leven en van nieuwe soorten levende wezens door nieuwe combinaties te creëren van genen in de DNA-keten. In het tweede hoofdstuk wordt gesproken van cyborgs en monsters. Hier wordt gewezen op voor- en tegenstanders: een cyborg bv. kan worden aanvaard of verworpen, waarbij iets nieuws meestal eerst verworpen wordt, dan aangepast en geassimileerd en daarna algemeen aanvaard in de maatschappij. Dit doet me denken aan de roman van Mary Shelly ‘Frankenstein’, die geschreven was uit angst voor de electriciteit. Waar zou de wereld nu staan zonder electriciteit? Indien de tegenstanders gelijk hadden gekregen en de electriciteit verbannen werd (zoals het wiel bij de Indianen bv.), dan bevonden wij ons nu nog in de middeleeuwen! In het volgende hoofdstuk wordt aangetoond hoe de grens tussen mens en technologie onvermijdelijk zal vervagen, met als gevolg dat de vrijheid op het spel zal komen te staan. Voorbeelden zijn de gps, foodphone, automatisatie van deursloten, snelheidsbeïnvloeding, alarmsystemen enz. De vraag kan worden gesteld of we slaven worden van apparaten. Die kunnen van de andere kant ook bijdragen aan de vrijheid van de mens (voorbeelden zijn de diabetes-pompen, gps…). De schrijver (P.-P. Verbeek) spreekt over de wenselijkheid van democratische procedures en wetten om dit soort invloedrijke technologieën in kanalen te leiden. Ik denk dat – wat de maatschappij of wat de politiek ook moge doen – er altijd geleerden zullen zijn die met hun experimenten zullen doorgaan, of dit nu toegelaten is of niet. Er zal ook altijd wel een financier worden gevonden. De hele geschiedenis is hiervan getuige (denken we maar aan het opgraven van lijken voor de geneeskunde). We zullen ons in elk geval moeten voorbereiden op de nieuwe technieken, hoe controversieel ze ook mogen zijn. Ik denk ook dat de auteur het patentrecht en de zucht naar hoge winsten onderschat.Daar waar de schrijvers steeds spreken over het hybride karakter van de technologie, gedeeltelijk menselijk en gedeeltelijk niet-menselijk, schuilt volgens mij niets dreigends in en gaat het meestal doodgewoon om informatie. Door die info sturen wij ons gedrag bij, in vrije wil en zelfbewust. Wij hangen dus niet af van de technologie, ze geeft ons enkel informatie. Die gebruiken we dan zoals het ons best past (bv. econometer, foodphone, bewakingscamera’s, leugendetectors, diabetespompen, pacemakers, later geheugenchips, enz.), net zoals we nu doen met uurwerken, thermometers, spiegels enz. Het vierde hoofdstuk behandelt technieken die zich richten op het diagnosticeren en manipuleren van de moleculaire processen die aan ziekte en gezondheid ten grondslag liggen. De auteur verwacht dat de nanotechnologie hier haar eerste toepassingen zal vinden (bv. wet-sensors, onderhuidse chips (voor hartslag, temperatuur, bloedsuikerspiegel…). De mogelijkheid bestaat voor het volgen van elke persoon, gezond of ziek. Dit is nuttig voor lijders aan epilepsie, diabetes, hartkwalen, terugvinden van verdwaalde kinderen enz.Alles staat nu nog in de kinderschoenen. De auteur maakt weer het nodige voorbehoud en formuleert twijfels over de privacy, het eigendomsrecht over het eigen lichaam, e.d. Het volgende hoofdstuk handelt over de morele en symbolische implicaties van de synthetische biologie. We krijgen een overzicht van de voornaamste actoren zoals Craig Venter die als voornaamste persoon betrokken was bij het ontcijferen van het menselkijk genoom en die heel veel al dan niet betwistbare patenten op zijn naam heeft staan. Verder is er sprake van MIT-onderzoekers die genensequensies inventariseren met als doel een bibliotheek op te bouwen van uitwisselbare onderdelen, de “biobricks”. Van daaruit is alles mogelijk, zo o.a. het tot stand brengen van genetisch gemodifieerde organismen en zelfs het creëren van nieuwe soorten leven. Het doel is de evolutie corrigeren, verbeteren en nieuwe levensvormen creëren. Dit laatste wordt vaak (onterecht) ontkend. De auteur heeft last van patenten en het overpatenteren van biologisch materiaal. Hij vindt dat die massa octrooien en patenten een schrikbeeld en een belemmering zijn voor wie vooruit wil. De kwestie van de synthetische biologie heeft veel voor- en tegenstanders. Er is een polarisatie. De tegenstanders hebben angst, willen taboe’s formuleren, en claimen dat de « natuur » heilig is. De voorstanders willen juist zoveel mogelijk vooruit en zeggen dat leven niets meer is dan DNA… |


