| Waarden in dialoog |
|
|
|
Laten we beginnen met het uiterlijk, want het oog wil ook wat, zelfs bij het lezen. Dit is een zeer verzorgde uitgave, stevig ingebonden of liever gelijmd, zoals tegenwoordig gebruikelijk, kwaliteitsvol papier zonder glans, met een fris, kleurrijk kaft, een handig formaat. Ook het zetwerk valt gunstig op: een klassieke letter, niet te groot of te klein, scherp en egaal gedrukt, met een behoorlijke interlinie, maar niet overdreven (om het aantal pagina’s stiekem op te drijven, bijvoorbeeld), dus een aantrekkelijke, heldere en rustige bladspiegel. Klare aanduiding van de onderverdelingen, maar zonder schoolse volgnummers. Ook voor taal en stijl niets dan lof: een vrijwel vlekkeloos Nederlands, met slechts hier en daar enkele en dan nog algemeen aanvaarde sporen van de Vlaamse afkomst van de auteur. De zinnen zijn kort gehouden, zonder dat het gehakt stro wordt. Ook de paragrafen zijn nooit langer dan één gedachte. Jargon of wetenschappelijke termen zijn blijkbaar bewust vermeden of worden kort geduid. De opbouw van de gedachtegang is logisch, zorgvuldig, gestaag. De auteur doet nadrukkelijk moeite om exclusief man- of vrouwonvriendelijk taalgebruik te vermijden. Er zijn enkele schema’s, maar de verhelderende toegevoegde waarde daarvan leek althans deze lezer vrij beperkt: de grafische voorstelling hielp mij niet om de overigens toch al duidelijke inhoud beter te begrijpen of te onthouden. De karige maar nuttige eindnoten verwijzen vooral naar andere publicaties van de auteur of naar wettelijke documenten. Het resultaat is een op al deze punten zeer leesbaar boek, zonder echt storende elementen. Dat is een goed begin. Het onderwerp van deze studie is zonder meer belangwekkend. Zoals de ondertitel vermeldt, gaat het om de ethiek in de zorg. Zorg is hier de verzamelnaam voor de groeiende sector van geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg en ouderenzorg. Het komt mij voor dat het boek evengoed toepasselijk kan zijn in de medische zorg in het algemeen, ook als is dat niet uitdrukkelijk vermeld als de bedoeling. Laat ik beginnen met een sterke algemene indruk na lezing: indien ik moet terechtkomen in een verzorgingsinstelling, dan zou ik zonder aarzelen kiezen voor een instelling waar de principes van dit boek onverkort worden toegepast. In zijn nawoord beseft de auteur dat er steeds een afstand zal bestaan tussen de idealen en de realiteit, maar het is al een hele geruststelling indien zorgverleners (zouden) uitgaan van de hier voorgestelde en verdedigde idealen en bijvoorbeeld niet van winstbejag, paternalisme, onverschilligheid of zelfs minachting tegenover de zorgvragers. De opbouw van het boek steunt op twee pijlers. In de eerste drie hoofdstukken wordt een ethisch denkkader aangereikt, dat uitmondt in een praktisch ethisch model. Ik aarzel om hier het woord ‘theoretisch’ te gebruiken, maar het gaat wel degelijk om een fundamenteel nadenken over ethiek, normen en waarden. Dat gebeurt echter steeds met ten minste een half oog op de praktijk van de gezondheidszorg. Vanaf het vierde hoofdstuk zitten we in medias res van de ‘zorg’. Daarin past de auteur zijn zorgvuldig opgebouwd denkkader toe op de verschillende aspecten van de zorg. De ‘theoretische’ inzichten krijgen daar een praktische invulling en zo een verrijkende duiding. Van hun kant ontvangen de concrete omstandigheden en problemen een grondige verheldering door de verwijzing naar de principes uit het eerste deel. Dit gebeurt steeds op een vlotte, niet kunstmatige manier, bijna vanzelfsprekend: alles lijkt op zijn pootjes terecht te komen zonder gevaarlijk bochtenwerk of vergezochte analogieën. Theorie en praktijk zijn uitstekend op elkaar afgestemd. Vooral daaruit blijkt de intense vertrouwdheid van de auteur met beide kanten van het bedrijf: de ethische wetenschap die hij kent vanuit zijn theologische opleiding en zijn professoraat aan de K.U.Leuven, en de wereld van de gezondheidszorg, waarin hij actief is als ethisch adviseur bij de Broeders van Liefde te Gent en als docent aan de School voor Psychiatrische Verpleegkunde. De auteur behoort tot de generatie moraaltheologen die in Leuven hun opleiding kregen van de befaamde theoloog Louis (Lowieke, insisteerde hij zelf) Janssens en van diens leerlingen. Hij betuigt zijn erkentelijkheid aan zijn leermeesters door zijn ethische principes te steunen op het personalisme dat professor Janssens vanaf het midden van de twintigste eeuw ontwikkeld heeft. Dit zijn de grote principes: de menselijke persoon is een subject, een subject in lichamelijkheid, een lichamelijkheid die gesitueerd is in de materiële wereld; personen zijn wezenlijk op elkaar gericht, ze hebben nood aan leven in sociale groepen en in daarin passende structuren en instellingen; de mens is geroepen om God te kennen en te beminnen; de mens is een historisch wezen; elke mens is tegelijk volkomen oorspronkelijk en fundamenteel gelijk. Op dat ene, religieuze aspect na, zijn dit principes waarbij niet weinigen zich probleemloos kunnen aansluiten en die een adequate vertolking zijn van het moderne aanvoelen. Axel Liégeois vertrekt van deze stevige basis, maar voegt er een eigen accent aan toe. Hij meent dat Janssens’ personalisme nog te zeer vertrekt van het individu; weliswaar een individu in de wereld en samen met anderen, maar de nadruk ligt toch op het individu. Hijzelf hecht meer belang aan de relatie tussen de individuen en spreekt dan ook van een relationeel personalisme. Hij stelt: ‘De mens is allereerst relatie. Daarom vertrekken we niet vanuit het subject dat de mens is en van waaruit de mens relaties aangaat, maar vanuit de context waarin de menselijke relaties zich afspelen.’ Dit is echt niet veel meer dan een nuance, al vindt de auteur het belangrijk genoeg om er dieper op in te gaan. Het is niet zeker dat iedereen hem daarin zal volgen en in het tweede, praktische deel blijkt ook dat hijzelf die nadruk op de relatie niet kan volhouden. Zeker, ook daar heeft hij het voortdurend over dialoog en ontmoeting, samenwerking en wederzijds respect, maar in de toelichtingen en concrete uitwerking van zijn model kan hij niet anders dan voortdurend terug te vallen op kenmerken, eigenschappen, beoordelingen, houdingen en waarderingen van personen, veeleer dan van relaties. Het is immers niet goed denkbaar hoe men zinvol over relaties kan spreken, zonder de betrokken personen ter sprake te brengen. Men kan het bijvoorbeeld wel hebben over een eerlijke relatie, maar dat verduidelijken kan enkel door te spreken over de houding van de betrokken partners in de relatie. Dit lijkt mij een (de enige!) onnodige methodologische complicatie in het theoretische eerste deel, waarvan gelukkig nog weinig overblijft in het concrete tweede. Zeker, de mens is essentieel een relationeel wezen, maar het is als individu dat we samenleven met anderen. Er is met andere woorden niet zo veel meer betekenis te halen uit de relatie zelf tussen mensen dan uit de ontmoeting van de individuen in de relatie en de essentiële betrokkenheid van het individu op de andere. Maar dit terzijde. Uit de ethische structuur die de auteur opbouwt, blijkt zijn grondige vertrouwdheid met de klassiekers uit de ethica. Hij vertrekt van de grote voorbeelden: Plato, Aristoteles’ Ethiek voor Nicomachus, Augustinus, Thomas, Hobbes, Hume, Kant, Nietzsche, het existentialisme en de fenomenologie zijn nooit veraf, maar worden zelden met name vermeld. Hij verkiest een eigen verwoording, die nochtans perfect rekening houdt met zijn bronnen. Zo komt hij tot een zeer evenwichtige ethiek, die niet gebouwd is op absolute waarden of principes, maar die waardevolle elementen uit de grote Westerse traditie naadloos integreert. Dit is, laat me toe het te zeggen, aangenaam verrassend voor een theoloog die zich in het voorwoord uitdrukkelijk ‘een christen’ noemt. Hij slaagt er ook in om zijn pluralistisch standpunt nadrukkelijk vol te houden door het hele boek heen, nergens vervalt hij ook maar enigszins in een sectair, eenzijdig of absolutistisch betoog. De waarden die hij releveert zijn niet afkomstig uit enige doctrine of Openbaring (al zijn ze daaraan natuurlijk niet vreemd), maar uit een algemeen menselijke benadering van la condition humaine. Hij spreekt respectvol over religie, maar enkel als een van de vele elementen die kunnen voorkomen in de relaties die mensen met elkaar aangaan. De vlag van de titel van het boek: ‘Waarden in dialoog’ dekt de eerlijke inhoud. Welke zijn nu die waarden, zal je me vragen, maar dat vind ik niet zo belangrijk. Axel Liégeois onderscheidt er negen, doch dat is niet meer dan een formulering, een bewoording van de waarden. Deze negen zijn min of meer aangepast aan de situatie, de zorg. Elke filosoof die zich respecteert heeft dergelijke lijstjes en ze komen allemaal op hetzelfde neer. Mijn voorkeur gaat uit naar een van de meer eenvoudige samenvattingen: liberté, égalité, fraternité, of autonomie, evenwaardigheid en solidariteit. Belangrijk is wel dat de auteur nadrukkelijk vermeldt dat zijn formulering niet te nemen of te laten is. Herhaaldelijk benadrukt hij dat er geen eensgezindheid bestaat over ethische waarden en dat het zinloos is om die te betrachten. Dat moge dan al zo zijn, maar dat is op zichzelf nog geen reden om alle hoop op absolute waarden op te geven. Er zijn namelijk zeer goede filosofische redenen om elk absolutisme af te wijzen, maar daarop ingaan zou ons te ver leiden. We onthouden vooral dat geen enkele waarde, hoe specifiek of algemeen ook, een absolute toepassing kan krijgen in een echt menselijke ethiek. Dit betekent dan weer niet dat er geen waarden zouden zijn waarover vrijwel iedereen het eens is: het tegendeel is waar. Maar er is een belangrijk verschil tussen een waarde waarover iedereen het eens is, en een waarde die altijd en overal absoluut geldt. Wie zich inlaat met absolute waarden, stevent rechtstreeks af op fanatisme en onverdraagzaamheid, op dwang en overheersing. Af en toe heb ik wat last gehad met de opsommingen die de auteur geeft. Als hij spreekt van twee grote principes of van drie pijlers, dan zijn die (met enige moeite) nog te onthouden, al had ik liever gehad dat hij ze wat vaker zou herhalen bij latere verwijzingen. Maar wanneer hij zijn toelichting (niet zelden) begint met: er zijn negen kenmerken… dan is dat af en toe wat veel gevraagd van de aandacht, eerbied, ootmoed en vooral de volharding van de lezer: als je bij zeven komt, ben je één vast vergeten, wedden? Maar ook dit volledig terzijde. Ik sluit mijn bespreking van het eerste deel af met een vrij fundamentele opmerking die ook slaat op de rest van het boek. Vrijwel steeds bespreekt de auteur de ethische situatie van de zorgverlener vanuit de grote morele principes en hun toepassing in waarden, normen, goede grondhoudingen of deugden &c. Ik meen dat hij daarbij in zekere mate voorbijgaat aan het feit dat die zorgverleners vrijwel steeds werken binnen een ruimer professioneel verband, niet alleen binnen een team, maar vooral ook binnen een organisatie, bijvoorbeeld een ziekenhuis of zelfs een samenwerkingsverband van verzorgingsinstellingen. Zij zijn daarin in de eerste plaats werknemers en dienen zich dus te schikken naar de regels die gelden binnen die instelling of groep. Naast al de wettelijke voorschriften en de algemeen aanvaarde menselijke normen die we in de maatschappij vinden, zijn er in grote en kleine instellingen ook niet weinig strakke, rigoureuze specifieke regels en afspraken, zowel zeer concrete als heel algemene. Door hun tewerkstelling in dat kader aanvaarden de werknemers al die voorschriften. Wanneer zij er niet (meer) mee akkoord (kunnen) gaan, zal er niet veel anders opzitten dan ontslag te nemen (of te krijgen). Het is een voortreffelijke gedachte dat wij allen vrije individuen zijn, die op de meest democratische manier met elkaar in gesprek kunnen treden over de fundamentele vraagstukken van de ethiek en over hun toepassing in de diverse domeinen van het menselijk samenleven, maar in de praktijk komt het er vrijwel steeds op neer dat wij ons strikt moeten houden aan voorschriften die weinig ruimte laten voor interpretatie. Ik denk daarbij aan de houding die men binnen de katholieke ziekenhuizen voorschrijft ten aanzien van abortus en euthanasie: wat men daarover als privaat persoon ook moge denken, de directie kan maar kwalijk aanvaarden dat het personeel in woord of daad standpunten inneemt die niet stroken met wat binnen het samenwerkingsverband werd overeengekomen. Het tweede deel begint met een hoofdstuk (IV) over de samenwerking tussen de zorgverleners. Dit is vrij algemeen gesteld, maar dat is geen nadeel: het is bijna zonder mutatis mutandis te gebruiken in vele andere omstandigheden waarin teamwerk belangrijk is, waar persoonlijke verantwoordelijkheid en het zoeken naar consensus aan bod komen, waar men moet omgaan met zijn eigen fouten en die van anderen. In het vijfde hoofdstuk werkt de auteur zijn model van ethische dialoog uit in de concrete context van de geïnformeerde toestemming, door de zorgvrager of zijn vertegenwoordiger, en rond de delicate kwestie van de wilsbekwaamheid. Hier en ook in de volgende hoofdstukken, stelt hij zijn ethische dialoog vaak tegenover de louter juridische, wettelijke voorschriften. Hij wijst terecht op belangrijke lacunes in de wetgeving en hoe men vanuit zijn model kan komen tot een inhoudelijk rijkere en meer menselijke benadering. In het zesde hoofdstuk past hij dit met succes toe op problemen rond vrijheidsbeperking en dwang, in het zevende en laatste op de steeds indringender vragen in verband met informatie en beroepsgeheim. Dit zijn zonder enige twijfel zeer leerrijke bladzijden voor alle betrokkenen, zorgverleners, zorgvragers en naastbetrokkenen, maar evenzeer voor ons, het ruimere publiek. Dit is voor mij trouwens een van de meest aantrekkelijke aspecten van dit boek, dat het steeds op een bevattelijke, heldere, onbevooroordeelde en uitgesproken optimistische manier ingaat op algemeen menselijke problemen, op kwesties die ons allen concreet aanbelangen. Er staat op elke bladzijde een waardevolle gedachte, een verrijkende suggestie, een opbeurend woord, een positieve waardering, een hoopgevend perspectief. Ik wil afsluiten met een vraag aan de auteur. In zijn bronnen (en zijn bibliografie) en ook in de uitwerking van zijn model mis ik een verwijzing naar een van de meest fundamentele ‘moderne’ benaderingen van de mens: de evolutietheorie, en naar de wetenschappen die daarop verder bouwen, de sociobiologie en / of de evolutionaire psychologie. Daarin zien we de mens als een wezen dat tot in zijn genen (mede) bepaald is als gericht op zelfbehoud en op preferentieel en wederzijds altruïsme binnen zijn gemeenschap. Ik had verwacht dat die benadering toch ook een plaats zou krijgen in de context van de gezondheidszorg in ruimere zin, waar het (waardig) individueel voortbestaan van de mens zelf voortdurend en indringend aan de orde is en waar de zorgplicht uitdagend uitgebreid wordt tot precies die categorieën van mensen die het minst in staat zijn tot wederdienst. Misschien waren uit die benadering zo niet andere of betere, maar wellicht toch even waardevolle en overtuigende duidingen of argumenten te puren voor een verantwoorde zorgethiek. Er is geen enkele reden om dit boek niet te lezen. Er zijn er heel goede om dat wel te doen. Ik kan zelfs geen enkel geldig excuus bedenken om het niet te lezen en te herlezen. |


