| Het einde van de psychotherapie |
|
|
|
Hoewel ik vooral interesse heb voor wetenschap en minder vertrouwd ben met de ideeën van Lacan, intrigeerde mij het onderwerp toch omdat ik een aantal analogieën zag in mijn ervaringen met jongeren. Paul Verhaeghe neemt het in dit boek op tegen een veranderde houding t.o.v. de psychotherapie en probeert met talloze argumenten en voorbeelden aan te tonen dat de verplaatsing van het probleem naar de neurobiologie veel meer gevolgen heeft dan men op het eerste gezicht denkt. Eigenlijk begint alles met het onderwerp identiteit of beter gezegd de ondermijning ervan. Identiteit is een vorm van isolement geworden; dit in tegenstelling tot de idee van Lacan, dat je pas goed kan functioneren als je tegenover je ik, “de Ander “ kan stellen (ouders, familie, sociale klasse, ... ) M.a.w. je vormt je eigen identiteit door deel uit te maken van een aantal stabiele groepen. Geen stabiliteit betekent ook geen duurzaamheid en duurzaamheid is dan sowieso slecht. Ik noem dit zelf de ‘pay and go’- mentaliteit. Blijf niet te lang bij hetzelfde want dan word je versleten voor saai. Zo probeert, volgens Verhaeghe, de identiteit zich dan te richten op iets anders bv. op het lichaam. Op die manier worden stoornissen dan niet meer geformuleerd met het werkwoord ‘zijn’, bijvoorbeeld ‘Ik ben druk, ik ben verstrooid’ maar wel met het werkwoord ‘hebben’, ‘Ik heb ADHD, ik heb ADD.’ Dit leidt meteen naar het volgend deel dat begint met de subtitel Het rijk der onschuldigen. Schuld is ons ingepompt via het katholiek geloof, nu lukt het niet meer om de schuld af te schuiven op vader, moeder of maatschappij; er wordt een nieuwe schuldige gevonden: het lichaam (blame the body). De moraal in de praktijk wordt dus volledig gefocust op slachtofferschap ( ik kan er niks aan doen ). Een druk kind wordt dus een kind met ADHD; belangrijk is dat dit consequenties inhoudt, het wordt een entiteit met een medische achtergrond. De nieuwe, neuronwetenschappelijke informatie maakt vooral indruk op mensen die de kennis niet bezitten. Verhaeghe wijst ook op de pijnlijke uitwassen die zich tengevolge daarvan voordoen in de psychofarmacie. Hij noemt dit het “promoten van nieuwe ziektes waarvoor men gelukkig een perfecte en betaalbare oplossing heeft.” Toeval of niet! Net hoor ik op de radio: boven de 40 jaar heeft 1 man op 3 erectieproblemen (dus eerst bang maken!), praat erover met uw dokter (medische oorzaak!), maak u geen zorgen, er zijn oplossingen voor (koop ons medicijn!). Een soort ‘docteur Knock ou le triomphe de la médecine.’ Of volgens Verhaeghes cynisch citaat: de groengetinte, farmacologische droom, want groen is de kleur van de hoop maar het is ook de kleur van een dollarbiljet. Maar… volgt er daarna: ‘de mensen vragen erom want vroeger was men echt ziek, nu is men tobbend gezond.’ In Geestdrift voor het lichaam krijgt de lezer uitleg over de freudiaanse verklaring van het woord “drift”. Bepaalde hoofdstukken in het boek, onder andere ook dit, richten zich volgens mij eerder tot de specialist ter zake. Het volgend hoofdstuk handelt over nieuwe patiënten, oude therapeuten. Verhaeghe beklemtoont hier de evolutie van het beeld van de patiënt. Heel veel psychische stoornissen uiten zich nu ook effectief via het lichaam: fobieën worden paniekstoornissen, somatisering via eetstoornissen, vijandige, erotische fantasie zet zich om in agressief en seksueel gedrag of in het zich toedienen van verwondingen, met als resultaat moeilijker patiënten. De oude therapeuten slaat dan op personen die hun opleiding nog hebben gehad via het vroeger systeem (zie verder DSM ). De actuaalpathologie ( hier en nu, samen met het lichaam en los van het levensverhaal) probeert zich meer en meer aan regels te houden waardoor het belang van de problemen als individu in zijn omgeving verdwijnt. De psychiatrie staart zich volgens hem ook blind op fMRI (functionele Magnetische Resonantie Beeldvorming; functionele scanning van de hersenen) en farmacie. Daarna hekelt hij het gebruik van de DSM, “the diagnostical and statistical manual of mental disorders “. De hoofdreden van zijn kritiek slaat op veralgemening en in statistiek gieten van de diagnose, m.a.w. een diagnose is niet meer persoonlijk gelinkt aan omstandigheden. De diagnose wordt nu vastgelegd aan de hand van een aantal kenmerken bepaald door de DSM. Zijn er bv. 9 kenmerken voor schizofrenie en je voldoet aan 7 kenmerken, dan word je geplaatst in de categorie schizofreen. Een diagnostische uitspraak valt daardoor samen met de behandeling. Zo verkrijg je natuurlijk ook weer een identiteit (in het boek loopt één lange draad van sarcasme!) namelijk een categorie die door de Ander wordt bekrachtigd, zelfs als dit een negatieve categorie is: ik ben ADHD’er, ik ben CVS’er and I’m proud to be one.
Verhaeghe tracht aan de hand van psychoanalytische voorbeelden aan te tonen dat men nu probeert een dwangneurotisch probleem (Freud) om te zetten in een gewoon ongeluk. De actuaalpathologie komt neer op een herhaling èn versterking van het ontstaan van het probleem met als gevolg: psychotherapie werkt niet, het zal dus wel neurobiologisch zijn. Binnenkort zijn er nieuwe patiënten, nieuwe therapeuten met als belangrijk accent: het verdwijnen van groepen waaraan je je kunt spiegelen. Het boek is eigenlijk een grondige aanklacht tegen de impact van de neurobiologie op de psychotherapie: pillen in plaats van praten. De oorzaken van de talloze psychische problemen moet volgens hem gezocht worden in de manier waarop onze maatschappij omgaat met psychische problemen. Mensen zijn minder geneigd tot introspectie en reflectie en verwachten zonder persoonlijke inspanning van hun problemen verlost te zijn. Dit laatste kan ik beamen bij omgang met jongeren. Als ik iemand met leerproblemen wil stimuleren iets uit het hoofd te berekenen, of een stuk tekst te lezen is het antwoord onmiddellijk: “Ja maar, ik heb dyscalculie” of “ik heb dyslexie”. Dan antwoord ik: “Ga je dan nooit meer rekenen of lezen?” Verhaeghe eindigt met de kritische bedenking dat door het overmatig belang hechten aan exactheid, er geen mogelijkheid meer zal bestaan om op de klassieke manier aan psychotherapie te doen. Een kritische noot vanuit mijn standpunt is dat je nooit nieuwe evoluties kan tegenhouden. Hoe dan ook, de neurobiologie zal meer impact krijgen en natuurlijk een aantal psychische ziekten kunnen behandelen wat we, volgens mij, alleen maar kunnen toejuichen. We kunnen en mogen de evolutie niet tegenhouden. En, vergeef mij, Freud zal meer en meer als een geschiedenisfiguur worden gezien en niet meer als basisfiguur van de psychotherapie. In de psychotherapie zoals in alle andere terreinen: panta rhei, de rivier stroomt. Ik vind het boek heel interessant, met zowel denkvoer voor psychotherapeuten als voor alle anderen die willen nadenken over de huidige maatschappij. Een aanrader! |


