| Titel: |
Ik ben een vreemde lus |
| Auteur: |
Douglas R. Hofstadter |
| Boekinformatie: |
Uitgeverij Contact - ISBN 978-90-254-2549-4 |
| Verschijningsdatum: |
2008 |
| Recensent: |
Isabel Vanhecke |
Douglas Richard Hofstadter (1945) is hoogleraar cognitieve wetenschappen aan Indiana University in Bloomington, Verenigde Staten en doceert daar aan meerdere faculteiten (vergelijkende literatuur, computerwetenschappen, psychologie en filosofie). Zijn werk werd bekroond met onder andere de Pulitzer Prize en de American Book Award. Al van kinds af aan werd Douglas R. Hofstadter gefascineerd door de vraag hoe de geest in elkaar zit. Tezelfdertijd raakte hij geobsedeerd door de symbolische logica, waarvan de geheimzinnige symbolen in vreemde magische patronen dansten, in afspiegelingen van waarheden, onwaarheden, syllogismen, mogelijkheden en contrafactieven die volgens de auteur gelegenheid bieden korte, diep doorgrondende blikken te werpen op de verborgen bronnen van het menselijk denken. Zo in beslag genomen door zijn pogingen te begrijpen wat het nu eigenlijk betekent om levend, menselijk en bewust te zijn, voelde Hofstadter de behoefte zijn gedachten op papier te zetten, met als uiteindelijk streven het leggen van een verband tussen enerzijds het menselijke ik als begrip en het raadsel van het bewustzijn, en anderzijds Gödels verbijsterende ontdekking van een grootse, zelfverwijzende structuur, een ‘vreemde lus’. Zo kwam in 1979 het boek Gödel, Esher, Bach tot stand en kende een ongeëvenaard succes. Nu, zo’n dertig jaar later is de cirkel – of moeten we lus zeggen? – rond en schrijft Hofstadter weer over de ziel, het ik en bewustzijn, en knalt tegen dezelfde geheimzinnigheid en griezeligheid op die hij voor het eerst ervoer toen hij geschokt en gefascineerd was door de ontzaglijke, ontzagwekkende lichamelijkheid van datgene wat ons maakt tot wat we zijn. In Ik ben een vreemde lus onderneemt Hofstadter een poging om doorheen vierentwintig hoofdstukken ‘de menselijke staat’, wat het ‘ik’ is, wat een ziel is, innerlijkheid, intentionaliteit en het bewustzijn te beschrijven. Kortom, dit boek is een verhaal over het ‘ik’. In zijn betoog maakt de auteur gebruik van talrijke kleurrijke voorbeelden, enerzijds vanuit persoonlijke anekdotes, standpunten en interpretaties, anderzijds vanuit de symbolische logica, de getaltheorie en het credo van de wiskundige om abstracte ideeën en onderwerpen over te brengen. Dit maakt dat het werk in zijn geheel weinig strikte structuur kent, eerder de vorm van een verhaal vol anekdotes en analogieën aanneemt, wat het geheel enerzijds dan wel herkenbaar en toegankelijk maakt, maar anderzijds soms weinig overzichtelijk en verwarrend. Daarom willen we in een poging enige structuur aan te brengen en duidelijkheid te scheppen, trachten de rode draad van het betoog te ontwaren en samen te vatten. Uit de vierentwintig hoofdstukken destilleren we vijf grote delen waarvan we geloven dat ze het verloop van het betoog en de inhoud van het boek overzichtelijk en duidelijk weergeven. In de eerste acht hoofdstukken, die een eerste deel van het betoog vormen, tracht Hofstadter uit te leggen wat een ‘vreemde lus’ is. In een tweede deel wijdt de auteur een aantal hoofdstukken aan de achtergrond die nodig is voor een begrip van het standaardvoorbeeld van het fenomeen van een ‘vreemde lus’, namelijk de ideeën van Kurt Gödel over (de volledigheid van) Principia Mathematica. In een derde deel benadrukt Hofstadter het belang en beschrijft hij het gebruik van analogieën, vooraleer hij komt tot de analogie tussen de vreemde lussen van Gödel en de kernschetsing van ons wezen. In het vierde deel vertelt Hofstadter op een persoonlijke en ontroerende manier over het overlijden van zijn vrouw. Hij betoogt dat we ons allemaal in verspreide toestand bevinden en dat we in verschillende hersenen over de planeet huizen. In een vijfde en laatste deel postuleert de auteur tenslotte dat bewustzijn denken is. Doorheen het eerste deel neemt Hofstadter de lezer mee op vreemdelussensafari om uiteindelijk tot de vaststelling te komen dat wat hij eigenlijk bedoelt met een ‘vreemde lus’ een abstracte lus is, die in de loop van de stadia die de cyclus beschrijft, een verschuiving laat zien van het ene niveau van abstractie (of structuur) naar een ander, wat voelt als een beweging omhoog in de hiërarchie – terwijl de serie verschuivingen ‘omhoog’ toch een soort gesloten cyclus blijken te vormen. Kortom, een vreemde lus is een paradoxale lus die van niveau verspringt en met terugkoppeling. Hofstadter illustreert zijn vreemde lus met een verslag en foto’s – waarvan naast de illustratie op de voorkant, zestien van zijn favorieten in een ingevoegde kleurenkatern – van zijn avonturen op het terrein van videofeedback. Vanaf dan zullen de fenomenen die uit lussige processen zoals videofeedback voortkomen, dienen als een van de belangrijkste metaforen in dit boek als de centrale vragen rond ‘bewustzijn’ en ‘zelf’ ter sprake komen. Een andere illustratie van een vreemde lus grijpt terug naar een van de meest stereotiepe voorbeelden en tevens een centraal onderwerp in Gödel, Escher, Bach: de litho Tekenende handen van M.C. Escher, waarop je een rechterhand ziet die een tekening maakt van de linkerhand, terwijl de linkerhand die rechterhand blijkt te tekenen. Maar in Tekenende handen wordt de regel dat er een duidelijke sprong omhoog plaatsvindt van elk getekend beeld naar de tekenaar ervan, duidelijk en radicaal geschonden waardoor er dus geen sprake kan zijn van een werkelijke vreemde lus. Hofstadter vervolgt zijn betoog met een beschrijving en uiteenzetting van het standaardvoorbeeld van het fenomeen van een vreemde lus, waarvoor hij zich baseert op het boek Gödels Proof van Ernest Nagel en James R. Newman over de vondst van Kurt Gödel in 1930 van dit fenomeen in een verborgen hoekje van de strenge, schijnbaar paradoxbestendige burcht van Betrand Russels typentheorie. Hofstadter wijdt een aantal hoofdstukken aan de achtergrond die nodig is voor een ruw begrip van Gödels ideeën, en in het bijzonder de getaltheorie. In het begin van de twintigste eeuw besloot Bertrand Russel dat Principia Mathematica geen verzameling mocht bevatten die zichzelf kon omvatten en geen enkele zin die omgekeerd kon worden en zichzelf aan de orde stellen. Maar er bleek iets heel vreemds aan de hand toen Kurt Gödel eens goed keek naar het redeneren over verzamelingen. Terwijl niets erop wees dat de axioma’s en deductieregels van Principia Mathematica zwak- of onvolkomenheden zouden vertonen, integendeel, ze praktisch tot iedere denkbare waarheid over getallen leidden, had Gödel formules met een grillige complexiteit ontdekt binnen de formele, door typentheorie beschermde en derhalve zogenaamde paradoxvrije wereld die Russell en Whitehead in hun grootse, driedelige oeuvre Principia Mathematica hadden gedefinieerd. Dit maakt duidelijk dat er een diepe kloof bestaat tussen waarheid en bewijsbaarheid in PM met als gevolg dat er veel ware beweringen bestaan die niet bewijsbaar zijn. Eén van de leidmotieven die Hofstadter herhaaldelijk aanbrengt is dat we veel respect moeten hebben voor wat de banaalste analogieën lijken, omdat ze vaak de diepste wortels van het menselijk kenvermogen als oorsprong blijken te hebben. Bij een analogie kan een bewering over een bepaalde situatie begrepen worden alsof hij tevens van toepassing is op een analoge of isomorfe situatie. Bij een isomorfisme is er sprake van een een analogie waarbij het netwerk van parallellismen tussen twee situaties expliciet en exact uit de doeken wordt gedaan. De analogie, het gedeeltelijk isomorfisme, draagt de betekenis efficiënt en betrouwbaar over van het ene kader naar het andere. Naar analogie van de diepzinniger, subtielere visie op wiskunde die Kurt Gödel ons met zijn onverwachte vreemde lussen geboden heeft, zo biedt de kenschetsing van ons wezen als vreemde lus ons een diepzinniger, subtielere visie op de mens. Net als PM kunnen hersenen worden bekeken op (minstens) twee niveaus: een laag niveau met minuscule fysische processen en een hoog niveau met grote structuren die selectief activeerbaar zijn door de waarneming. Het waarnemen van de wisselwerking tussen je ik en de rest van de wereld gaat je leven lang door. Dienovereenkomstig begint het ‘ik’- symbool, net als alle symbolen in onze hersenen, heel klein en simpel, maar het groeit constant door, en wordt uiteindelijk de belangrijkste abstracte structuur die in onze hersenen huist. In elke vreemde lus die het menselijk ik helpt ontwikkelen zijn de waarnemende, abstraherende en categoriserende handelingen die naar een hoger niveau leiden centrale, onmisbare elementen. Door de sprong omhoog van ruwe stimuli naar symbolen krijgt de lus zijn ‘vreemdheid’. De allesomvattende ‘vorm’ van ons ik wordt niet objectief geregistreerd, maar uiterst subjectief waargenomen door de actieve processen van categoriseren, herbeleven in gedachten, overwegen, vergelijken, fantaseren en oordelen. Maar de behoefte aan zelfbegrip gaat nog veel verder. Zo zijn we er van overtuigd dat onze eigen daden veroorzaakt worden door ons ‘ik’. Een ‘ik’-lus is een abstractie – maar een abstractie die immens werkelijk lijkt. Samengevat is de reden waarom er een vreemde lus in iemands hersenen verschijnt een vermogen, namelijk het vermogen om te denken, waarbij ‘denken’ staat voor het bezit van een voldoende breed repertoire van activeerbare symbolen. Zo krijgen onze hersenen door ons uitbreidbare symbolenrepertoire de potentie om fenomenen met een onbeperkte complexiteit uit te drukken en daarmee naar zichzelf terug te laten draaien en zichzelf via een vreemde lus op te slokken. Maar dit alles heeft een keerzijde, een tweede hoofdbestanddeel dat de lus in ’s mensen hersenen de kwalificatie ‘vreemd’ oplevert en dat schijnbaar uit het niets een ‘ik’ laat verschijnen. Die keerzijde is ironisch genoeg een onvermogen, want wij zijn niet in staat onder ons symboolniveau te kijken. In een vierde deel, waar Hofstadter op een ontroerende manier over het overlijden van zijn vrouw verhaalt en hoe hij voelt dat haar ziel nog steeds kan voortbestaan in zijn bewustzijn, ligt de nadruk veel meer op persoonlijke factoren. Hofstadter betoogt dat we ons allemaal in verspreide toestand bevinden en dat we, althans gedeeltelijk in verschillende hersenen huizen, die over de planeet zijn rondgestrooid. Hij meent dat het wederzijds binnendringen in elkaars ziel een onvermijdelijk gevolg is van de kracht van onze hersenen met hun onbeperkte mogelijkheden om te representeren. Volgens Hofstadter lijkt dit alles erop te wijzen dat ieder van ons bestaat uit een bundeling van fragmenten uit de ziel van anderen, maar dan in een nieuwe samenstelling. Hiermee wil de auteur eigenlijk een dogma op losse schroeven zetten dat gewoonlijk niet ter discussie staat en als een soort slogan geformuleerd kan worden: ‘Eén lichaam, één ziel’. In het laatste deel postuleert Hofstadter dat bewustzijn denken is. Waargenomen gebeurtenissen geven het menselijk brein continu aanleiding om hoogst selectief symbolen te activeren en in allerlei onverwachte, nooit eerder voorgekomen configuraties tot leven te laten komen. Het gaat er volgens de auteur om dat er niemand in die hersenen is begonnen. Maar in tegenstelling tot fysische systemen kunnen de hersenen waarnemen en zich qua complexiteit ontwikkelen, zodat binnen die hersenen geleidelijk iemand ontstond. Hofstadter meent dat uw hersenen zichzelf voor de gek hebben gehouden en onze ‘ik’ een zichzelf versterkende illusie is en een onvermijdelijk bijverschijnsel van vreemde lussen, die zelf weer onvermijdelijke bijverschijnselen zijn van symboolverwerkende hersenen, waarmee lichamen langs de gevaarlijke stromingen en verraderlijke klippen van het leven worden geloodst. Nu komt het voor alsof de mens overal in dit boek zo’n beetje gezien wordt als een zombie, omdat het stelt dat het ‘ik’ een illusie is en dat zou betekenen dat we geen van allen bewustzijn hebben, maar wel allemaal geloven bewustzijn te hebben en bewust te handelen. Maar volgens Hofstadter luidt de vraag hier eigenlijk: “Waarom werd het bewustzijn toegevoegd aan hersenen die een bepaalde mate van complexiteit hadden bereikt?”. De auteur beantwoordt meteen zijn vraag door te stellen dat het bewustzijn niets anders is dan het bovenstuk van een gamma van niveaus van zelfwaarneming, die hersenen automatisch bezitten op grond van hun bouw. Net als Gödels vreemde lus automatisch ontstaat in elk formeel getaltherie-systeem dat krachtig genoeg is, zal de vreemde ik-lus automatisch ontstaan in elk catgorieënrepertoire dat voldoende ontwikkeld is, en als je eenmaal ‘ik’ hebt, heb je bewustzijn. Doorheen zijn betoog wil Hofstadter ons duidelijk maken dat wij, mensen, macroscopische structuren zijn in een universum met wetten op microscopisch niveau. Bij onze pogingen om te overleven zijn we genoopt efficiënte verklaringen te zoeken die alleen verwijzen naar entiteiten op ons eigen niveau. Zodoende trekken we conceptuele grenzen rond entiteiten die we gemakkelijk kunnen waarnemen, en bijgevolg scheppen we iets wat we aanzien voor de werkelijkheid. Het ‘ik’ dat we voor ieder van ons creëren is volgens de auteur een typisch voorbeeld van zo’n waargenomen of verzonnen werkelijkheid, waarbij dat ‘ik’-begrip alleen maar een samenvatting is van een enorme ziedende, kolkende massa waar we ons per definitie niet bewust van zijn. Daarom moeten we volgens de auteur onze aandacht verschuiven naar een hoger niveau van hersenactiviteit om symbolen, begrippen, betekenissen en uiteindelijk ons ‘ik’ te vinden. Maar wij, bewuste mensen die door een ‘ik’ worden gestuurd, kunnen ons haast niet voorstellen dat we omlaag, alsmaar omlaag zouden bewegen naar het neuronale niveau van onze hersenen. Er zouden geen betekenissen overblijven, alleen astronomische aantallen betekenisloze, onbezielde moleculen, die betekenisloos een eind weg spuiten, de hele levenslange, levenloze dag. Kort samengevat confronteert Hofstadter de lezer met volgend dilemma: of we geloven dat ons bewustzijn iets anders is dan het resultaat van natuurkundige wetten, of we geloven dat het inderdaad het resultaat is van natuurkundige wetten – maar welke kant we ook kiezen, hij heeft verontrustende, misschien zelfs onacceptabele gevolgen. Toch hoopt Hofstadter dat de lezer na lezing van dit boek op een frisse, nieuwe manier zal gaan denken over wat mens-zijn eigenlijk betekent; in feite wat het simpele zijn betekent. Meer nog zou het hem uitermate veel genoegen doen indien we onszelf ook een beetje als een vreemde lus zouden zien. Hofstadter richt zijn schrijven tot lezers met een goede algemene ontwikkeling, nooit tot specialisten. Hoewel hij hoopt met de ideeën in dit boek ook filosofen te bereiken, meent de auteur dat zijn stijl niet bij uitstek des filosoofs is. Zijn stijl omschrijft hij zelf liever als de ‘hondjes-en-paardjesstijl’, waarmee hij enerzijds verwijst naar zijn voorkeur om moeilijke(re) abstracte ideeën en onderwerpen eerder middels metafoor en analogie, dan pogingen tot strikt redeneren, over te brengen. Anderzijds geeft zijn stijl aan dat lussen aanleiding geven tot nieuw werkelijkheidsniveau en vragen om een nieuwe vocabulaire en een nieuw beschrijvingsniveau, die het elementaire niveau waaruit ze ontstaan, overstijgen. Het belang dat Hofstadter aan analogieën hecht, weerspiegelt zich tevens in het bijgevoegde register, volgens twee hoofdcategorieën ingedeeld: ‘analogieën, serieuze voorbeelden van’ en ‘weggooianalogieën, willekeurige voorbeelden van’. Een vreemd onderscheid dat de auteur aanbracht omdat veel analogieën een hoofdrol spelen in het overbrengen van ideeën, terwijl andere alleen dienen om de zaak een beetje aan te kleden. Zoals Hofstadter het zelf treffend verwoord is Ik ben een vreemde lus inderdaad “een reusachtige slakom vol metaforen en analogieën”, waarbij elke gedachte in het boek ingedeeld kan worden bij analogieën. Als klinisch psycholoog kon ik me tijdens het lezen van dit boek niet ontdoen van de indruk van een sterke analogie tussen het betoog van Hofstadter en de psychoanalyse. Een verband dat de auteur overigens op een bepaald moment ook zelf maakt wanneer hij stelt dat zijn vreemde lussen sterk verschillen van de begrippen van Freud, maar in de geest wel een zekere overeenkomst onderkent. Beide opvattingen over wat een ‘ik’ is gaan uit van abstracte patronen die mijlenver verwijderd zijn van het biologische substraat waarin ze huizen – feitelijk zover dat de details van dat substraat grotendeels irrelevant lijken. De auteur trekt de vergelijking met de psychoanalyse echter niet verder door, wat zeker een verdedigbare keuze, gezien de opbouw en invalshoek van het boek, maar toch vond ik dit betreurenswaardig. Er zijn immers een aantal frappante gelijkenissen waar te nemen tussen het betoog van Hofstadter en de theorievorming van de Franse filosoof / psychoanalyticus Jacques Lacan. De inzichten van Hofstadter dat de mens een talig, symbolisch wezen is, en dat dit zowel winst als verlies met zich meebrengt, of het inzicht dat het ‘ik’ een zichzelf versterkende illusie is, zijn zeker niet nieuw. Ook Lacan werkt dit op geheel eigen manier uit aan de hand van zijn drie registers waarmee hij (onder andere) de organisatie van de intrapsychische structuur inzichtelijk maakt: het Reële, het Symbolische en het Imaginaire. Het zou te ver leiden hier dieper op in te gaan, maar het is soms opmerkelijk hoe het betoog van Hofstadter in lacaniaanse termen kan worden vertaald. Zo kan zijn ‘fundamentele dilemma’ (vermogen- onvermogen) en de stelling dat ‘de mens veroordeeld is om niet te (kunnen) spreken op een niveau waar geen informatieverlies is’ gerelateerd worden aan de Lacans stelling van een structurele, onoverbrugbare kloof tussen de reële en symbolische registers, en sluit ‘het ‘ik’ als zichzelf versterkende illusie’ naadloos aan bij het Imaginaire register, dat bij uitstek de orde van de illusie is en waarin Lacan het ‘ik’ of ego situeert. Een ander raakpunt betreft het inhoudelijk traject dat afgelegd wordt vanuit bovenstaande vaststelling dat het symbolische zijn grenzen kent, en dus niet alles met talige concepten te vatten is. Net als Lacan betrekt Hofstadter heel wat andere disciplines in zijn betoog, in een poging om abstracte ideeën en onderwerpen die met talige concepten nauwelijks te vatten zijn toch inzichtelijk te maken: de symbolische logica, de getaltheorie, de wiskunde, … Ook het gebruik van talloze metaforen en analogieën is een overeenkomst, en met de idee van ‘vreemde lussen’ komt Hofstadter in zekere zin in de buurt van lacans knopentopologie. Ik ben een vreemde lus is een boek, rijk aan ideeën en bevindingen over de menselijke staat, het ‘ik’ en het bewustzijn. Analogieën en metaforen worden herhaald, koppelen op een vervormde wijze terug of gaan vreemde, onverwachte banden aan, wat het voor niet-wiskundigen niet altijd even makkelijk maakt om te (blijven) volgen, maar de manier waarop Hofstadter zijn verhaal vertelt, refererend aan talrijke kleurrijke voorbeelden die iedereen herkent en begrijpt, maakt dat hij erin slaagt om moeilijke(re) abstracte ideeën en onderwerpen over te brengen en de lezer aan het denken te zetten.
|