| Titel: |
De mens voorbij. Vooruitgang en Maakbaarheid 1650-2050 |
| Auteur: |
Gie Van den Berghe |
| Boekinformatie: |
Uitgeverij Meulenhoff/Manteau - ISBN 9789085421085 |
| Verschijningsdatum: |
2008 |
| Recensent: |
Pieter Bonte |
Gie Van den Berghe – historicus, ethicus en gastprofessor aan de UGent – legt in De Mens Voorbij ten minste deze vier verrassende, en niet zelden verontrustende, bevindingen voor. De eerste bevinding is tegelijk de centrale doelstelling van het boek, nl. het aanreiken van een broodnodige correctie op een compleet vertekend historisch beeld, alsof de eugenetica zich laat beperken tot de Nazigruwelpraktijken van Otmar von Verschuer, Josef Mengele en hun handlangers. Wel integendeel. Eugenetica, begrepen als “op wetenschappelijk verantwoorde wijze een zo goed mogelijk of beter nageslacht nastreven” (328), was al lang voor het Nazi-regime, en merkwaardig genoeg zal het ook nog lang erná blijven, een grondidee van het vooruitgangsdenken dat continu opduikt in de hoogste intellectuele en politieke kringen. Bovendien, nog vóór het eugenetische project op gang kwam in de 19e eeuw, circuleerden al van bij de vroege Verlichting (Van den Berghe haalt verrassend plastische passages van Condorcet en anderen uit de vergetelheid) biologische theorieën en politieke voorstellen die de zuivering en perfectionering van de menselijke natuur voorop stelden (viriculture, sociaaldarwinisme, malthusianisme, etc.). En dergelijke ideeën werden dus eeuwenlang geheel onverdacht door vooruitstrevende, weldenkende spilfiguren van het westerse intellectuele leven uitgedacht. Van den Berghe heeft voor dit historisch onderzoek stapels oorspronkelijke bronnen doorploegd, op zoek naar alle mogelijke sporen van het maakbaarheidideaal, en het resultaat is opzienbarend. De Mens Voorbij is doorspekt met verbluffend concrete verwachtingen en streefdoelen van toonaangevende wetenschappers en filosofen over hoe de menselijke natuur zoal kan en moet worden geoptimaliseerd, ja zelfs radicaal verbeterd. Tweede bevinding: “De op het publieke forum getaboeïseerde en gedemoniseerde eugenetica wordt op biomedisch terrein volop toegepast onder andere benamingen.” (328) Zeer eigenaardig dat de term precies toen volledig uit de gratie viel, wanneer werd overgeschakeld van een eugenetica met hopeloos slordige, ondoelmatige technieken (de beperking of net bekrachtiging van voortplanting op basis van vage vermoedens van fitness) naar een die op gedegen biologische diagnoses stoelde: Toen het in de jaren 1960-1970 mogelijk werd om sommige zware afwijkingen van de foetus in utero vast te stellen […] slaakten velen een zucht van opluchting. Midden jaren 1970 kwamen er wetten die zwangerschapsonderbreking in dergelijke gevallen mogelijk maakten […] De grotere keuzemogelijkheid en de strijd tegen onvruchtbaarheid brachten als vanzelf de vraag mee naar erfelijke kwaliteit, de mogelijkheid en volgens sommigen de noodzaak van selectie, de keuze voor goede en tegen slechte geboorten – eugenetica dus. (327) Van den Berghe klaagt hiermee de struisvogelpolitiek aan over het wegmoffelen of vertekenen van de term ‘eugenetica’. Ook in de recente Belgische bio-ethische wetgeving wordt expliciet ontkend dat er aan eugenetica wordt gedaan, maar dat is volgens Van den Berghe “de facto onjuist, weinig meer dan een politiek correcte dooddoener.” (328) Ten derde signaleert Van den Berghe vandaag een groeiend politiek en filosofisch enthousiasme om deze doelmatige eugenetica en aanverwante technieken in de praktijk toe te passen. Er zijn niet alleen de ‘de facto-vormen’ van eugenetica die nu reeds brede aanvaarding genieten (zoals het ongeboren laten als een zware ziekte wordt vastgesteld bij een embryo of foetus), er worden bovendien door een aanzienlijke groep vorsers, medici en ethici (transhumanisten en meer gematigden onder andere naam) pleidooien gevoerd voor een meer verregaande ‘zachte eugenetica’ (ook wel liberal eugenics genoemd), waar in tegenstelling tot de ‘oude eugenetica’ net elke staatsinmenging in individuele of ouderlijke beslissingen omtrent het eigen lichaam wordt verfoeid en het individuele zelfbeschikkingsrecht primeert, resulterend in een ethische theorie waarin men zichzelf en het eigen nageslacht in principe vrij mag vormgeven, zolang alles veilig en geïnformeerd genoeg gebeurt. Inderdaad, we bedrijven vandaag op diverse manieren eugenetica. Maar er is echter nog wel wat meer aan de hand. Het gaat vandaag om meer dan optimalisering van het genoom alleen. Een veelzijdig enhancement medicine, vertaalbaar als verbeterkunde, is in volle opbouw. Dit omvat ook tal van nietgenetische verbeteringstechnieken, zoals esthetische chirurgie, neurofarmacologie, elektrische implantaten, robotische prothesen e.d. Ten vierde en tot slot, dient het persoonlijke standpunt van Van den Berghe vermeld. Doorheen het boek spreekt een kritische kijk op gemakzuchtig biologisch determinisme, iets dat hij vandaag terug de kop ziet opsteken in de transhumanistische kringen. “Dit biologisch determinisme gaat zoals in het verleden gepaard met een voorkeur voor biologische verklaringen van menselijk gedrag en maatschappelijke oplossingen, ten koste van sociaalpolitieke duidingen en oplossingen.” (337) Ondanks deze harde kritiek aan het adres van de biologisch deterministen, weigert Van den Berghe de kaart te trekken van het blinde, absolute verzet tegen eugenetica. Hij gaat niet de kant op van zij die onvoorwaardelijk elke eugenetica uit de wereld willen bannen. Van den Berghe stelt vlakaf: “Op wetenschappelijke verantwoorde wijze een zo goed mogelijk of beter nageslacht nastreven, dat is eugenetica. Daar is ook niets mis mee” (idem) De grondidee is onverdacht. Alleen werd en wordt zij vaak veel te enggeestig en veel te geestdriftig nagestreefd. Meer dan de ethische analyse van Gie Van den Berghe, waarmee hij zijn boek afsluit, ligt de grote verdienste van dit boek in de historische ontdekkingen van Van den Berghe. Op dat vlak is het dan ook een zeer waardevol, en mogelijk zelfs uniek werk. Voor zover ik weet wordt er nergens, ook niet onder de Engelstalige publicaties, zo’n veelheid aan historische bronnen belicht over de maakbaarheidsideologie, en dat bovendien in helder, beeldrijk Nederlands. Voor al wie begaan is met de maakbare mens, biedt Van den Berghe met de diepgravende historische studie De Mens voorbij een vernieuwend perspectief. Hij toont het vergeten en miskende verleden van het brandend actuele biotechnologische vraagstuk van de menselijke maakbaarheid.
|