| Titel: |
De roze billen van Renoir. Een inleiding in de medische filosofie |
| Auteur: |
Johan Devisch |
| Boekinformatie: |
Uitgeverij ACCO - ISBN 9789033469862 |
| Verschijningsdatum: |
2008 |
| Recensent: |
Pieter Peyskens |
In tijden van ongeziene medische mogelijkheden en beloften bezint de filosofie zich over haar verhouding met onze kwetsbare en maakbare lichamelijkheid. Bij klassieke filosofen als Aristoteles vormde het medische in de breedste zin van het woord nog een onmiskenbaar prominente peiler van het denken. Bij filosofen die na Descartes het voetlicht betreden is dit niet langer zo vanzelfsprekend. Tegenwoordig lijkt de rol van de filosoof zelfs willens nillens gereduceerd te worden tot wat ethische beslommeringen achteraf, in de marge van een grotendeels autonome medische vooruitgang. In De roze billen van Renoir gaat Ignaas Devisch, als filosoof verbonden aan de Artevelde-hogeschool, de Universiteit Gent en de Radboud Universiteit Nijmegen – op zoek naar de historische wisselwerking tussen de filosofie en het medische denken. Wie op basis van de ondertitel misschien een inleiding in de hedendaagse bio-ethiek verwacht, zal echter vergeefs zoeken naar een breed spectrum van morele dilemma’s en normatieve afwegingen. Dit boek heeft een volledig ander opzet: het wil een cultuurhistorisch overzicht bieden van de levendige interactie tussen de filosofie en het denken over lichaam, gezondheid en geneeskunde. De op het eerste gezicht wat bevreemdende titel verwijst naar de gedachte dat onze blik zich bij een dergelijke opzet best niet blind staart op de grote lijnen, op de roze billen van de modellen van een schilder als Renoir. Vaak zijn het net de aanvankelijk onopgemerkte oorlelletjes, de fijne details, die het meest onthullend zijn. In het boek vertaalt deze visie zich naar een eigenzinnige selectie uit de historische sleuteldocumenten van het medische en filosofische corpus. Tegen de algemene achtergrond van een tiental chronologisch gestructureerde hoofdstukken – focus ligt op de West-Europese periodisering, met een obligaat (en toch wat ontgoochelend kort) uitstapje naar de enorme Islamitische medische traditie – krijgen we zo een vrij intiem beeld van de geneeskunde in haar historische en filosofische context. Door de hoofdlijnen vanuit soms onverwachte details te belichten, biedt het boek niet in de laatste plaats dus een weelde aan intrigerende weetjes en revelerende inzichten, die elders wellicht aan de aandacht waren ontsnapt. De ongewone invulling van privacy bij de Grieken bijvoorbeeld, of de zelden benadrukte rol die de slaven en soldaten speelden bij de ontwikkeling van de medische praktijk bij de Romeinen worden zo heel concreet. Boeiende uitwijdingen of nuances komen soms wat nodeloos in voetnoten terecht (de interessante positie van de evangelist Lucas bijvoorbeeld, die zelf arts was en daardoor een modererende plaats innam in het middeleeuwse spanningsveld tussen profane en goddelijke genezing). Maar meestal wordt verfrissend uitgebreid en aandachtig ingegaan op het aangeboden bronnenmateriaal: het ontroerende wiegenlied van Avicenna en het hilarisch opportunistische gynaecologische traktaat van een verliefde arts zijn bijvoorbeeld echt geschenken aan de lezer. Dat we onderweg meteen ook te weten komen wat een ‘cloottrekker’ was of wat ‘apotemnophilia’ inhoudt, doet daaraan natuurlijk helemaal niet af. De inhoudelijke kern van het boek ligt echter niet in de rijkdom aan geciteerde bronnen en geselecteerde feiten. Een inleidend hoofdstuk over het wezen van de filosofie en een beschouwende epiloog vormen de rode draad doorheen het boek. Devisch is in zijn algemene aanpak zonder twijfel sterk geïnspireerd door de Foucaultiaanse benadering van filosofisch onderzoek. Geheel in de zin van diens ‘archeologie’ gaat hij in het bronnenmateriaal op zoek naar de verschuivingen en breuklijnen achter de schijnbare continuïteit van het verhaal dat de geschiedenis ons vertelt. Gevaar hierbij is dat soms al eens grote conclusies worden opgehangen aan iets te fijne draadjes (bijvoorbeeld wanneer het huidige hedonisme terloops wordt voorgesteld als een uitloper van christelijk paradijsverlangen), maar Devisch laat zich over het algemeen niet verleiden tot de potentiële ontsporingen van een al te enthousiaste archeologische blik. Eén van de terecht als cruciale aardverschuiving beschreven passages, is bijvoorbeeld de historische ontdekking van de bloedsomloop door William Harvey. Met de beschrijving van dit definiërende punt in de geschiedenis van de geneeskunde zijn we meteen ook bij de onderliggende agenda van het boek aangekomen. Harvey belichaamt het moment waarop het wetenschappelijke denken sterk en onherroepelijk begint te interfereren met de rol die de filosofie tot dan toe had gespeeld in het medische denken. De filosofie en de geneeskunde lijken van dan af aan steeds verder uit elkaar te groeien. Het is deze tendens die Devisch zelf uiteindelijk in vraag wil stellen. Volgens hem wordt de rol van de filosofie vandaag de dag immers al te gemakkelijk en al te vanzelfsprekend gereduceerd tot die van dienstmaagd der wetenschap. Haar volledige kritische potentieel wordt volgens hem ten onrechte teruggebracht tot wat ethische sturing achteraf of tot het formuleren van voorlopige antwoorden op vragen waar wetenschap toevallig nog geen antwoord op heeft gegeven. Devisch pleit voor een meer productieve invulling van de filosofie voor de medische wereld. Ze is volgens hem meer dan enkel een morele gids of voorgeborchte van empirische kennis. Op zich een legitiem opzet, maar toch is het net hier dat zijn betoog het minste overtuigt. Het is immers niet zo duidelijk in hoeverre hij er echt in slaagt de vinger te leggen op de unieke kwaliteiten van de filosofische invulling die hij voor ogen heeft. Uiteindelijk blijkt hij toch uit te komen bij een visie op filosofie als anarchistische vraagstelling. Filosofie niet als een wat, maar als een hoe; als een bescheiden en tegelijk zelfbewuste houding waarbij het zoeken naar antwoorden niet ten koste mag gaan van de vraag. Dit hyperbolische twijfelen en het Derridiaanse openhouden van de vraag naar de vraag lijken helaas toch veeleer een zwaktebod te zijn. Het nut van structurele zelftwijfel zal niemand nog betwisten, maar de meerwaarde van de specifiek filosofische invulling hiervan ten opzichte van de tenslotte toch ook aan wetenschap inherente zelfkritiek wordt nauwelijks geconcretiseerd. Een betoog dat de blijvende relevantie van de continentale filosofische traditie voor de medische wereld wil aantonen, vergt wellicht wat meer specifieke argumentatie dan hier kon worden gegeven. Wat de filosofische uitwerking van het boek betreft, blijft de lezer op het eerste gezicht dus wat op zijn honger zitten. Maar paradoxaal genoeg weet Devisch net hierdoor de voornaamste kracht aan te boren van de filosofische traditie waarnaar hij verwijst. Net omdat het allemaal nogal vaag en suggestief blijft, wordt bij de lezer gaandeweg een anticiperend vermoeden van meer gewekt, een drang om verder en nauwkeuriger te kijken dan de oppervlakte van het aangeboden historische materiaal. De roze billen van Renoir vervult op die manier effectief de functie van een inspirerende inleiding in de medische filosofie. Voor iedereen die de huidige urgente medisch-filosofische vragen in een bredere context wil plaatsen, wordt de deur hier dus wel degelijk op een brede kier gezet. Of beter: via zijn boeiende historische analyse maakt Devisch gaandeweg duidelijk dat ook vandaag een aantal deuren nog steeds wijd open staan. Het zou onfair zijn meer te verwachten van een boek dat zelf aangeeft slechts een eerste – en wat ons betreft dus ultiem geslaagde – ‘degustatieronde’ te willen zijn.
|