| Titel: |
Het morele instinct |
| Auteur: |
Jan Verplaetse |
| Boekinformatie: |
Uitgeverij Nieuwezijds - ISBN 9789057122811 |
| Verschijningsdatum: |
2008 |
| Recensent: |
Jurgen Boel |
Elke student filosofie of moraalwetenschappen wordt wanneer hij of zij zijn / haar studie afrondt, minimaal eenmaal geconfronteerd met de vraag “wat is goed” (of zou dat althans moeten) zonder dat daar een alomvattend antwoord op gegeven dient te worden, want dat antwoord is er niet noodzakelijk. En toch bezitten we allemaal een moraal en beschouwen we bepaalde handelingen als moreel of net immoreel. Alleen is het moeilijk om een handeling universeel en altijd als moreel te beschouwen, zelfs het doden van een ander mens kan vanuit een bepaald kader als een “moreel goede daad” worden beschouwd. Meer zelfs, doden kan integraal deel uitmaken van een ethisch systeem hoe gruwelijk dat ook mag klinken. Het is maar een van de verdiensten van Jan Verplaetse dat hij dat helder en onwrikbaar duidelijk kan maken in Het morele instinct. In dit werk schetst Verplaetse hoe bepaalde opvattingen tot specifieke morele systemen leiden die elk op grond van hun principes soms gruwelijke daden kunnen goedkeuren. Het meest confronterende daaraan is bovendien dat deze moralen niet ontsproten zijn aan zieke geesten of verwarde denkers maar integraal deel uitmaken van ons bouwpakket en dus op de een of andere manier in elke mens aanwezig zijn. Dat iedere “normale” mens zich hecht aan vrienden en familie en daarbij steunt op zijn empathische vermogens, zal niemand voor het hoofd stoten. De hechtingsmoraal die Verplaetse als eerste bespreekt, klinkt met andere woorden vertrouwd en veilig in de oren. Het is zelfs aangenaam om weten (en lezen) dat ook misdadigers vaak gebukt gaan onder schuldgevoelens doordat hun daden leed veroorzaakt hebben. Maar met de geweldmoraal veegt Verplaetse opeens alle hoop schijnbaar van tafel. Het is perfect mogelijk om te doden en pijn te veroorzaken zonder ook maar een seconde stil te staan bij het leed, zolang er maar morele regels zijn die ons dekken. Het zijn heus niet alleen psychopaten die zich tot kille moordenaars kunnen ontwikkelen. Ook binnen de reinigingsmoraal kunnen zich excessen ontwikkelen, men denke maar aan de genocides uit de twintigste eeuw die als doel hadden de maatschappij opnieuw gezond te maken en van zijn kwade en zieke elementen te ontdoen. Hoewel het streven naar zuiverheid en morele walging niet altijd tot de dood van anderen dienen te leiden, is het opvallend hoe sterk deze sentimenten kunnen doorwerken, maar ook hoezeer ze opnieuw in onszelf geworteld zijn. Gelukkig is het getuige de samenwerkingsmoraal niet allemaal kommer en kwel, mensen (en dieren) zijn ook in staat de ander te helpen en samen iets op te bouwen. Wie geïnteresseerd is in evolutiebiologie en zijn vele vraagstukken zal een aantal behandelde thema’s en ideeën uit dit hoofdstuk vast en zeker herkennen. Het bevestigt impliciet hoe nauwkeurig Verplaetse te werk is gegaan en hoe grondig hij zijn hoofdstukken stoffeert zonder zich in herkauwde feiten te verliezen. Na deze vier eerder moraalpsychologische excursies waarbij overtuigingen en de menselijke natuur met zijn aangeboren neigingen hand in hand zijn gegaan, is het tijd voor een meer filosofische uitstap. Verplaetse heeft deze vier ‘morele systemen’ een plaats gegeven, verklaard en beschreven maar is het antwoord op de vraag wat goed is, schuldig gebleven. In dit laatste hoofdstuk komt (eindelijk) de beginselenmoraal aan bod en bekent Verplaetse kleur. Maar hij is er de man niet naar om zomaar zijn overtuigingen op tafel te gooien, laat staan ze via doorwrochte denkkronkels te openbaren. Net als bij de vorige hoofdstukken beroept hij zich ook op wetenschappelijke inzichten om tot een besluit te komen en een stelling naar voren te schuiven. Het mag misschien niet de grootse alomvattende theorie zijn maar het is wel een eerlijke en doordachte, een die aantoont dat de vier voorgaande moralen net zo goed een rol spelen en deel uitmaken van het leven. Het is de kunst ze te erkennen, een plaats te geven en waar nodig er tegen in te gaan. Het morele instinct is geen handleiding voor een goed leven noch een morele leidraad. Het is een soms confronterend boek dat bewijst hoezeer morele overtuigingen gegrond zijn in onder meer neurologische processen en hoe ze vanuit een evolutionair standpunt mee gegroeid en gevormd zijn. Wie de menselijke natuur kent en erkent, zal nog steeds geen eenduidig antwoord hebben op de vraag wat goed is, maar hij zal wel beseffen dat een deel ervan althans in de biologie en neuropsychologie te vinden is.
|