| Titel: |
Het nut van waanzin. Essays over darwinisme en psychiatrie |
| Auteur: |
Pieter R. Adriaens |
| Boekinformatie: |
Uitgeverij ACCO - ISBN 978-90-334-6914-5 |
| Verschijningsdatum: |
2008 |
| Recensent: |
Tony Van Loon |
Dit is een goed en interessant boek, een aanrader voor de lezer die zich bezighoudt met de vragen: ’Wat is ziek zijn? En gezond zijn?’ Of, anders gesteld, ‘Wat is normaal? En is er een (scherp) onderscheid te maken tussen normaal en abnormaal?’ Ook het waarom van het ziek zijn, eerder dan gezond zijn in het licht van een darwinistische invalshoek komt aan bod. Zou de natuurlijke selectie van levende wezens moeten leiden tot meer adaptatie aan de leefwereld en dus gezonder wezens? Deze vragen worden vanuit de psychiatrie geponeerd en een nieuwe richting, de evolutiepsychiatrie, zou hierbij de correcte antwoorden opeisen. De auteur doorprikt die ambitie met veel eruditie en overtuiging. Hij doet dit aan de hand van 4 essays, die elk apart kunnen worden gelezen. Vooral de eerste drie essays vormen samen een sterk geheel. Het boek biedt op deze manier een goed overzicht van het wetenschappelijk onderzoek, vooral vertrekkend van de (bediscussieerde) bijdrage van S. Freud. Inleidend wordt dr. Pangloss opgevoerd, het hoofdpersonage van Candide van Voltaire die vertrekt van de idee dat we leven in de beste der werelden. Uitleidend wordt niet de conclusie getrokken dat we best ons tuintje kunnen verzorgen. We hebben behoorlijk nood aan kritische zin om de psychiatrie niet in een exclusief medisch model te stoppen. De psychiatrie kan best een spiegel worden voorgehouden van de eigen waanzinnige geschiedenis met als doelstelling de vraag naar ziek en gezond zijn ernstig te nemen in al zijn diversiteit. Er is niet één evolutiepsychiatrie, niet één psychiatrie. Wel wordt zorgvuldig gewaakt over de wetenschappelijke status ervan maar de auteur houdt terecht voor dat deze status vrij recent is en niet altijd en overal vol te houden. Leuk is zijn vraag of ‘men sjamanen überhaupt moet beschouwen als verkapte psychiatrische patiënten – zij het als neurotici, zij het als psychotici. Men zou evengoed kunnen zeggen dat sjamanen een sociaal aanvaarde uitdrukking gevonden hebben voor een basaal proces dat ook het beginpunt kan zijn van schizofrenie. Het komt er dan niet op aan om de ziekte een sociaal aanvaarde vorm te geven, maar wel om de ziekte te vermijden door sjamaan te worden’ (p. 155). Geldt deze zin ook niet wanneer men sjamaan vervangt door psychiater? In het eerste essay wordt S. Freud opgevoerd als de oervader van de evolutiepsychiatrie, zonder hem heilig te verklaren. Hijzelf heeft slechts beperkte uitspraken gedaan over evolutie en ziekte en hij heeft deze merkwaardig genoeg in de vorm van een fantasie uitgewerkt. Hij was alert genoeg om de wetenschappelijkheid van zijn psychoanalytische theorie niet al te veel in de weegschaal te leggen en hij wenste het medisch model zeker niet te verlaten. Toch is zijn fantasietheorie failliet verklaard, terwijl een behoorlijk aantal evolutiepsychiaters hem blijven erkennen voor zijn bijdrage. Wat overeind blijft is de klemtoon op de geschiedenis van de patiënt en het belang om multidisciplinair om te gaan met zijn aandoening. Aandacht wordt besteed aan het disfunctioneren van de patiënt binnen zijn systeem met daarenboven – postfreudiaans – het disfunctioneren van het systeem zelf. Conclusie: er valt veel te zeggen over de uitspraak dat de mens een ziek dier is, dat er weinig helderheid is tussen ziek zijn en gezond zijn en dat psychische stoornissen wel de motor kunnen zijn van creativiteit. In het tweede essay handelt de vraagstelling over wat mensen uniek maakt, anders dan dieren. Het belang van het rechtop lopen wordt belicht en de evolutionaire gevolgen voor de ontwikkeling van het brein en de adaptatie van de mensen in hun omgeving. Leuk hierbij zijn de randopmerkingen (afkomstig van Plato) over de περιττοι, over hen die afwijken van de norm, de deviant,de persoon met de geniale invallen. Schizofrenie verschijnt als de ziekte van Adam en Eva en wordt de prijs die zij moeten betalen om te ontsnappen aan het dierenrijk. Deze psychologische krenking maakt mogelijk dat we anders zijn dan ‘large brained, cleverer than most other species, but lacking that creative spark and lust for change which have so dramatically distinguished our species from our immediate predecessors’ (Horobin, 2001, ‘The madness of Adam and Eva. How schizophrenia shaped humanity’). Pieter R. Adriaens citeert voornamelijk het Angelsaksisch onderzoek en citeert vaak in het Engels. Het derde essay geeft een goed overzicht van de discussie tussen de psychiaters die categoriale classificaties voorstaan tegenover hen die een dimensionele benadering verdedigen. De eerste groep met als boegbeeld E. Kraepelin (19de eeuw) wenst een steeds verder schrijdende distinctie te maken tussen gezonde mensen en mensen met psychische aandoeningen, die voortdurend vatbaar zijn voor meer verfijnde diagnosestellingen. De tweede groep, met S. Freud vooraan, vindt geen scherp onderscheid maar beschouwt de psychische aandoeningen (psychosen, neurosen en perversies) als voorkomend in een continuüm. Er is geen scherp onderscheid te maken en misschien is het ultieme criterium de zin voor coherentie, zoals – volgens deze auteur – aangebracht door de Britse psycholoog R. Bentall. Ik mis hier de bespreking van de bijdrage van A. Antonovski, maar de conclusie blijft staande: ziekte en gezondheid kunnen wellicht het best begrepen worden vanuit het oogpunt wel-zijn (well being) als betekenis- en zingeving en dit door het uitbouwen van een coherente zijnswijze. Boeiend in dit essay is de geschiedenis van de classificatie DSM, de diagnostic and statistical manual of mental disorders, die een aantal malen werd aangepast: een eerste maal in 1952, een tweede in 1968, een derde in 1980 en een vierde maal in 1994 en nu opnieuw aan herziening toe is. De wijze waarop de verenigde Amerikaanse psychiaters via lobbying en andere vormen van stammenstrijd hun onenigheden tentoonspreiden in dit handboek is soms hilarisch en leerrijk wat betreft de waarde van de diagnosestellingen. Het vierde essay werkt verder op schizofrenie, in essay 2 reeds ingeleid. Evolutiepsychiaters hebben een bijzondere bijdrage geleverd om de paradox van de schizofrenie tegen het licht te houden, met name de prijs die de mensheid moest betalen om vooruitgang te boeken. De auteur wil kritisch uit de hoek komen door de bijdrage van de evolutiepsychiaters te relativeren maar daarvoor hadden we dit essay niet echt nodig. Waar ik de auteur wel volg, is zijn randopmerking dat psychiaters de neiging hebben om stoornissen te reïficeren, er een aller-individueelste expressie van te maken zodat de naam van de psychiater en de producent van het geneesmiddel aan de aandoening vast geklonken wordt. Hierdoor ontstaat een containerbegrip, dat ingevuld wordt als in een smeltkroeg en gebruikt al naar gelang het de psychiater uitkomt. Het belang van de heterogeniteit wordt hierdoor beklemtoond. Mij verbaast het dat dit inzicht wordt weerhouden als opvallend en richtinggevend. Het feit dat een wetenschappelijk medewerker van de KU Leuven deze conclusie trekt, is hoopvol om samen met andersdenkenden verder te werken over wat evolutie- en andere psychiaters bezighoudt. Pieter Adriaens gelooft in de toekomst van de evolutionaire psychiatrie, de verdere studie van Darwin en de noodzakelijke kritische zin ten overstaan van de medicalisering van de psychiatrie. Het pleidooi voor een multidisciplinaire aanpak kan slechts worden toegejuicht, zeker in het domein van gezondheid, welzijn en ziek zijn. Het nut van waanzin is alleen daarom al hiermee bewezen. |
|