| Titel: |
Neuroplasticiteit |
| Auteur: |
J. Vandermeulen, M. Derix, C. Lafosse (red.) |
| Boekinformatie: |
Uitgeverij Boom - ISBN 9789085063902 |
| Verschijningsdatum: |
2008 |
| Recensent: |
Luc Crevits |
Met neuroplasticiteit of neurale plasticiteit bedoelt men het proces dat neurobiologische veranderingen kan teweeg brengen. Eenvoudiger gezegd, de eigenschap van het zenuwweefsel om te veranderen. In algemene zin kan men elke aanpassing van de hersenen als plasticiteit beschouwen, of dit nu spontaan gebeurt (contextonafhankelijk) dan wel onder invloed van een externe stimulus (contextafhankelijk). Wat vroeger gedoceerd werd als ‘ontwikkeling van het zenuwstelsel’, valt dus nu onder de noemer contextonafhankelijke plasticiteit. Men mag zich in een boek over plasticiteit aan een hele reeks technische gegevens verwachten. Wel spijtig dat een aantal begrippen op een niet-conventionele manier worden geïnterpreteerd. Zo wordt diaschisis in verband gebracht met het vroege spontane herstel na een hersenletsel en wordt synapseliminatie (pruning) verward met neuronenverlies. Een eerste hoofdstuk zou de bouw en functie van de hersenen moeten verduidelijken. Het bevat echter een opeenhoping van vooral anatomische termen en details waardoor het door een niet-ingewijde lezer zal (moeten) overgeslagen worden. De figuren kunnen nauwelijks enige opheldering brengen. Het volgende hoofdstuk gaat in op functionele plasticiteit en blijft zeer algemeen. De verschillende types van neuroplasticiteit worden pas in het vierde hoofdstuk vermeld. De normale hersenontwikkeling wordt vlot leesbaar beschreven, zelfs zonder illustraties. Hier komen neurobiologische mechanismen van plasticiteit in de ontogenese ter sprake. Een aansluitend hoofdstuk benadrukt nog de niet eenduidige leeftijdsafhankelijkheid van neurale plasticiteit. Plasticiteit omvat ook herstelcapaciteit. Frontale plasticiteit kan ingrijpen op verschillende gedragingen en typisch menselijke vermogens, en verdient terecht een afzonderlijke bijdrage. Ook hier blijft de tekst hoofdzakelijk algemeen. Nochtans een typisch gebied waar cognitieve- en gedragspsychologen hun werkterrein zouden kunnen illustreren. De invloed van stress op de hersenplasticiteit wordt vooral op celniveau van de hippocampus nauwkeurig beschreven. De uitweiding over het stressmodel in proefdieren is belangrijk om te begrijpen hoe men onderzoek doet naar substraten die bijdragen aan verschillende vormen van humane psychopathologie, zoals depressie. Er is al heel wat bekend over visuele plasticiteit. De auteurs kozen voor de onderwerpen ‘blindsight’ (‘onbewust’ zien) en het syndroom van Charles Bonnet (goedaardige visuele hallucinaties die hoofdzakelijk bij slechtziende ouderen optreden). Blindsight is weliswaar een begrip geworden, doch het komt slechts hoogst uitzonderlijk voor en vele wetenschappers betwijfelen zelfs het bestaan ervan. Zeker een boeiend onderwerp dus als inleiding op vragen rond bewustzijn, maar erg voorbarig om aan te nemen dat er hier sprake zou zijn van een of andere vorm van plasticiteit. Spijtig, want er zijn betere keuzes om visuele plasticiteit te illustreren. Dit geldt ook voor het syndroom van Charles Bonnet. Dit syndroom komt weliswaar vaak voor, maar er bestaat (nog) amper of geen onderbouw voor neuroplasticiteit. Neuroplasticiteit wordt krampachtig in het hoofdstuk over de persoonlijkheid binnengeloodst om de veranderingen in intensiteit van de verschillende persoonlijkheidsdimensies te verklaren. Wel met de kritische bedenking dat een neurobiologisch model nog grotendeels hypothetisch blijft. Het laatste hoofdstuk is steviger onderbouwd. Bij ‘motor imagery’ stelt de persoon zich mentaal een bepaalde beweging concreet voor zonder die handeling daadwerkelijk uit te voeren. Dit cognitief proces activeert min of meer dezelfde hersengebieden als werkelijke bewegingen. Ook het kijken naar een beweging heeft grotendeels hetzelfde effect. Motor imagery kan leiden tot leren of verbeteren van een beweging op Hebbiaanse wijze en tot corticale reorganisatie. Toepassingen in sport en medische revalidatie worden volop afgetast. Het valt op dat heel wat auteurs plasticiteit afleiden uit het feit dat er herstel of verbetering optreedt. Maar dit blijft veelal een hypothetische deductie en zelden wordt beschreven welke neurobiologische processen hierbij aan de orde zijn. Vele wetenschappers zullen hier de nodige scepsis aan de dag leggen. Betekent herstel dat neurogenese heeft plaatsgevonden, dat neurale structuren en functies zijn veranderd? Of berust dit op adaptieve mechanismen, compensatoire systemen of flexibiliteit? Het boek werd door verschillende auteurs geschreven. Overlapping en herhalingen (zoals de onderzoeken van Kolb en het schier eindeloos herdefiniëren van plasticiteit) zijn er wel een gevolg van. Dit bezwaar wordt echter een voordeel omdat de hoofdstukken aldus vrij onafhankelijk van elkaar kunnen worden gelezen. |
|