| Titel: |
Home. Reflecties over ouderdom |
| Auteur: |
Marc De Blieck, Ger Groot, Inge Henneman, Jan Knops (red.) |
| Boekinformatie: |
Mens & Cultuur Uitgevers/Initia - ISBN 978-90-77-135-16-7 |
| Verschijningsdatum: |
2008 |
| Recensent: |
Christophe De Vos |
Alles wel beschouwd kan men stellen dat er in deze tijd van bijna dwangmatig jeunisme, over de positie van de bejaarde in het maatschappelijke veld eigenlijk bitter weinig nagedacht wordt, en dat dat meestal in niet veel meer resulteert dan in wat (vaak politieke) gemeenplaatsen over de vergrijzing en de hieraan gepaarde kosten voor de welvaartstaat. De publicatie HOME. Reflecties over ouderdom, onder redactie en met een inleiding van Jan Knops, artistiek directeur van het Brusselse Bureau voor Kunst- en Cultuuriniatieven Initia, wil blijkbaar iets aan dat euvel doen en tracht de thematiek bovendien te koppelen aan een artistieke interpretatie ervan door een hedendaags Belgische artiest, in casu beeldend kunstenaar en fotograaf Marc De Blieck. Dit tamelijk ambitieuze uitgangspunt resulteerde zo in een bundeling van de levensverhalen van vier bejaarden in drie Belgische rusthuizen (homes in de volksmond, vandaar ook de titel van het boek), een exposé over het oeuvre van De Blieck door Inge Henneman, fotografisch werk van de kunstenaar zelf en, last but not least, het essay “De Melancholie van wat geweest is”, van de Nederlandse filosoof Ger Groot, verbonden aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. In dit essay stelt Groot vast dat het met de positie van en visie op de bejaarde in onze huidige maatschappij eigenlijk beroerd gesteld is: enerzijds heeft de wetenschappelijke vooruitgang en de hieraan gerelateerde daling van de mortaliteit, een oudere gecreëerd die vitaler dan ooit zijn tweede jeugd najaagt. Anderzijds weet de maatschappij, de overheid op kop, zich niet echt goed raad met die nieuwe evolutie. Bovendien, zegt Groot, kan de geriatrie ondanks de enorme wetenschappelijke vlucht, nog steeds geen wonderen verrichten en breekt er voor de bejaarde toch nog altijd een onafwendbare fase van definitieve aftakeling aan. Als men dit daarenboven aan het maatschappelijke fenomeen koppelt van de jongere die steeds langer jong blijft, krijgt men volgens de auteur, een ‘verdamping’ van de volwassenheid, wat resulteert in een volledige generationele ontwrichting. Daarnaast treedt er ook nog iets op wat Groot de “ontlediging van de ouderdom” noemt, een tamelijk fenomenologische interpretatie à la Levinas van het theologische concept ‘kenosis’. In het verleden, betoogt Groot, werd de bejaarde nog gezien als een eerbiedwaardige grijsaard die met vallen en opstaan een relativerend inzicht in het leven had verworven, de spreekwoordelijke levenswijsheid. Deze kennis die vroeger als noodzakelijk werd gezien voor de oriëntatie van andere generaties, wordt vandaag de dag vaak als nutteloos van de hand gewezen, en levert de bejaarde - hierdoor beroofd van een bestaansreden - uit aan heroïserende en/of melancholische mijmeringen over het verleden om het uitzichtloze bestaan van zijn oude dag toch nog enigszins zin te geven. De auteur legt de oorzaak van die gehele ontwrichting trouwens bij de secularisering van de maatschappij. Waar vroeger het levenseinde nog werd beschouwd als een overgang naar een nieuw leven, een hogere staat van bewustzijn, is het nu volgens hem verworden tot een final exit, waardoor de angst voor de dood en de nutteloosheid van de oude dag bij de bejaarde alleen nog maar zijn toegenomen. Deze laatste opvatting vind ik echter betwistbaar, en men hoort hier duidelijk echo’s in terug van door de Franse socioloog Durkheim geïnspireerde opvattingen, met name het belang van religie voor de cohesie van de maatschappij, ideeën die Groot overigens al aansneed in zijn boek“Het krediet van het Credo: godsdienst, ongeloof, katholicisme.”( Uitgeverij SUN, 2006). Daarenboven, geloof of religie als medicijn tegen maatschappelijke problemen beschouwen, het wordt door sommigen filosofen ook wel eens - enigszins smalend - als “iets-isme”afgedaan. Ook kan men zich hierbij de vraag stellen in hoezeer die huidige generationele schemerzone, de fout is van de secularisering dan wel van een ver doorgedreven consumentisme, en in hoeverre die twee met elkaar gerelateerd zijn. Bovendien vind ik dan Groot’s finale conclusie van dit essay, namelijk dat als de babyboom-generatie wegebt, alle discrepanties tussen de leeftijden weer goed komen, toch tamelijk kort door de bocht voor deze ingewikkelde problematiek. Een ander punt dat Groot vermeldt, is het belang van fotografie, meer bepaald die van het pre-digitale “fotoalbum”. Dit bezit volgens hem een zeer grote documentaire waarde, en de verhalende interpretatie ervan door de oudere is belangrijk voor het maatschappelijke weefsel. Dit uitgangspunt vormt natuurlijk een uitgelezen opstapje naar het tweede luik van deze publicatie, het werk van fotograaf Marc De Blieck dat ik misschien nog de sterkste troef van dit boekje vind. Het is buitengewoon interessant om te zien hoe deze kunstenaar de hele thematiek, uitgaande van de hier trouwens ook afgedrukte levensverhalen van bejaarden, in twee bewust contrasterende werken geïnterpreteerd heeft: het zwart-wit fotoproject ‘HOME’, en ‘Image / Afterimage’, een video-installatie. In HOME reproduceert De Blieck, in plaats van de afzonderlijke foto’s, volledige bladzijden uit oude fotoalbums, het typerende beschermlaagje van geribbeld zijdepapier incluis. Hierdoor ontstaat letterlijk een “versluierd” beeld, een mooie metafoor vind ik persoonlijk, voor een tanend geheugen. In Image / Afterimage, vertrekt hij dan weer vanuit kleurrijke foto’s van en door jonge mensen, die hij gratis gedownload heeft van zogenaamde ‘photosharing’-sites op het internet. De kunstenaar creëerde zo een videowerk waarbij hij het ene beeld abrupt in het vorige laat beginnen, een allusie op het retinentievermogen (afterimage) van het netvlies en natuurlijk op de werking van het geheugen in het algemeen. Deze reminiscentie heeft De Blieck bovendien nog versterkt doordat hij van zijn video-installatie een cyclisch proces heeft gemaakt dat hij laat starten en eindigen met een beeld van dezelfde kamer. Helaas moet men het in dit boek stellen met stills uit deze montage waardoor het effect voor de lezer natuurlijk wel wat verloren gaat. De povere lay-out van deze publicatie draagt bovendien ook niet echt bij tot een betere appreciatie van deze werken van De Blieck, wat te betreuren valt. Aanvullend op deze foto’s, krijgt men ook nog eens een essay over het volledige fotografische oeuvre van de kunstenaar, geschreven door de curator van het Antwerpse fotomuseum, Inge Henneman. Het biedt een helder inzicht in de evolutie van De Blieck’s werk, maar men kan zich afvragen of deze uitwijding, gezien de geringe omvang en de uiteindelijke thematiek van dit boek, niet wat teveel van het goede is. Dat is trouwens concluderend een beetje mijn algemene indruk van deze uitgave. Het beoogt een multidisciplinair project rond ouderdom te zijn, maar daardoor dreigt het geheel wat aan consistentie te verliezen. Liever had ik dit boek misschien opgesplitst gezien in twee afzonderlijke publicaties: een filosofische bloemlezing met diverse filosofen die de thematiek van ouderdom nog wat nader uitwerkten, eventueel verfraaid met foto’s van De Blieck, en anderzijds een monografie over de kunstenaar zelf (in zoverre die er nog niet is natuurlijk). Nu krijgt men de indruk een geëlaboreerde tentoonstellingscatalogus aan het lezen te zijn, en het is mij niet echt duidelijk of dat werkelijk de bedoeling was van de auteurs. In ieder geval zijn de afzonderlijke essays goed geschreven en nodigen ze uit tot verdere reflectie over het thema ouderdom, én exploratie van het oeuvre van Marc De Blieck zelf. |
|