| De Egotunnel |
|
|
|
In zijn nieuwste boek De Egotunnel pleit Thomas Metzinger, filosoof en bewustzijnsonderzoeker, voor een nieuwe visie van het bewustzijn en het zelf. Hij schotelt de lezer een radicale herziening van het mensbeeld voor en formuleert tal van interessante filosofische ideeën in het licht van de meest recente neurowetenschappelijke bevindingen. In de inleiding toont de auteur een staaltje van wat de lezer van het boek mag verwachten. Hij presenteert zijn kernideeën, het opzet van het hele boek en de obstakels om tot een algemene bewustzijnstheorie te komen. Metzinger introduceert ook een nieuwe filosofische term: het fenomenale zelfmodel. Daarmee omschrijft hij het bewustzijnsmodel dat geactiveerd wordt door de hersenen. Dat model stelt de Homo Sapiens in staat zichzelf en anderen op een bewuste manier als één geheel te beschouwen. Het type bewustzijnsmodel dat zich in de hersenen van de mens heeft ontwikkeld is uniek en heeft ertoe geleid dat een culturele evolutie plaatsvond in het verlengde van een biologische evolutie. Metzinger gebruikt in zijn boek de centrale metafoor van de ‘tunnel’ om die ervaring aan te duiden die hij ‘bewuste ervaring’ noemt. Bewuste ervaring is volgens de auteur een intern construct, een simulatie van de wereld gecreëerd door onze hersenen. Die simulatie is zo volmaakt dat we niet merken dat het slechts een beeld in ons hoofd is. Het gebruik van het beeld van een tunnel wijst er dan ook op dat we niet rechtstreeks in contact met de werkelijkheid staan. Onze zintuigen zijn beperkt waardoor ze slechts een fractie waarnemen van de onvoorstelbaar rijke fysieke realiteit die ons omringt. Deze filosofische visie op de werkelijkheid verwijst naar het boek VII van De Staat van Plato waarin, in een dualistische realiteit, de ideeënwereld zich onderscheid van de schaduwenwereld. Het eerste deel, Het bewustzijnsprobleem, bestaat uit twee hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk bespreekt de auteur op een heldere manier enkele basisideeën van het begrip bewustzijn. Hij formuleert de essentie van bewustzijn en beschrijft het ontstaan ervan aan de hand van de Darwinistische evolutie. Wat onderzoek betreft over dit onderwerp stelt Metzinger dat we slechts aan het begin staan van een echte wetenschap van bewustzijn. Hoofdstuk twee behandelt de problemen die zich voordoen om tot een in filosofisch en neurologisch opzicht overtuigende theorie van bewustzijn te komen. Metzinger maakt een korte rondgang door de egotunnel en onderzoekt daarbij enkele van de belangrijkste problemen. Deel twee van De Egotunnel omvat enkele hoofdstukken over de Ideeën en ontdekkingen met betrekking tot bewustzijn. In het eerste hoofdstuk van dit deel bespreekt de auteur een aantal interessante neurowetenschappelijke experimenten. Aan de hand van onder andere de rubberhand-illusie en virtual reality experimenten toont Metzinger aan dat de mens een bepaald zelfmodel bezit. Dat zelfmodel, zoals in de inleiding al werd vermeld, laat de mens toe zichzelf als een geheel te beschouwen met een eigen lichaam, eigen gedachten en bedoelingen. De auteur heeft het vervolgens over buitenlichamelijke ervaringen (BLE) of anders gesteld “de bewustzijnstoestand waarin twee zelfmodellen tegelijkertijd actief zijn”. Zijn eigen ervaringen met BLE’s en zijn jarenlange research op dit vlak bieden de lezer een reeks van interessante bevindingen. Met behulp van virtual reality technieken slaagt men erin om, systematisch en repliceerbaar onderzoek uit te voeren naar BLE’s, iets wat de wetenschap tot voor kort altijd veronachtzaamde. Een ander onderzoek, dat werd verricht met mensen met fantoomledematen, leert ons dat de mens, louter op het niveau van bewuste ervaring, zijn leven leidt in een virtueel lichaam en niet in een echt lichaam. Daarna gaat de auteur nog een stap verder. Hij maakt een onderscheid tussen eigenaarschap, eigenaar zijn van een lichaam, en actorschap, de bewuste sturing van de eigen handelingen. Metzinger stelt dat die beide aspecten van het bewuste zelfgevoel niet noodzakelijk samengaan. Aan de hand van enkele psychische aandoeningen presenteert hij in dit verband verbluffende conclusies. Als Metzinger het onderwerp van de vrije wil aansnijdt, betoogt hij dat de mens zich ten onrechte als een vrije en autonome actor beschouwt. Tevens stelt hij dat de vrije wil functie is van een sociale institutie, met een rechtssysteem en regels die stoelen op begrippen als verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid en schuld. Een andere piste in bewustzijnsonderzoek is het bestuderen van dromen en in het bijzonder lucide dromen. Deze laatsten openen nieuwe wegen om bewustzijn te begrijpen. In lucide dromen hebben we volgens de auteur meer rechtstreekse toegang tot de onderliggende processen van het bewustzijn dan wanneer we ons in waaktoestand bevinden. Metzinger spreekt ook over ‘transtunnelcommunicatie’, een link die tijdens bepaalde experimenten tot stand komt tussen de droomtunnel van de proefpersoon en de waaktunnel van de onderzoekers. De auteur sluit het tweede deel van het boek af met een verhelderend hoofdstuk over de neuronale basis van empathie en sociale cognitie. Het derde deel van het boek behelst de Bewustzijnsrevolutie. In dit deel gaat de auteur nader in op de ethische problemen en de sociale en culturele veranderingen die het bewustzijnsonderzoek met zich meebrengt. Hij doet interessante voorspellingen en legt tal van aanbevelingen op tafel. Zo poneert hij duidelijk dat we er beter niet aan doen een evolutie van artificiële egomachines in gang te zetten. Het risico is te groot dat er daarbij dingen verkeerd gaan. Ook zullen we waarschijnlijk een kopie van onze psychologische structuur vervaardigen die verre van optimaal is en waar lijden onlosmakelijk deel van uitmaakt. De bewustzijnrevolutie is volop aan de gang en Metzinger geeft een idee over de vragen waarmee we in de toekomst geconfronteerd zullen worden: hoe moeten we omgaan met de mogelijkheden die voortvloeien uit de nieuwe kennis over het bewustzijn? Welke bewustzijnstoestanden zijn heilzaam en welke zijn schadelijk voor ons? Hoe integreren we deze nieuwe bewustheid in onze cultuur en samenleving? De auteur kan op deze vragen geen antwoord geven maar tracht op die manier het debat te openen. Hij wil ons wijzen op de vele problemen die zich in de nabije toekomst kunnen aandienen. Metzinger pleit voor het creëren van een bewustzijnsethiek, een nieuwe tak in de toegepaste ethiek en een bewustzijnscultuur. Slechts op die manier kunnen we voorkomen dat we onze waardigheid verliezen, door die op te tillen naar nieuwe niveaus van autonomie van onze bewuste geest. De mens staat voor een enorme uitdaging en hij weze gewaarschuwd met dit boek. Kortom, Metzinger’s ideeën zijn vernieuwend en gedurfd. Hij slaagt erin om moeilijke materie overzichtelijk te maken en zijn standpunten op een heldere manier neer te schrijven. Zo verliest hij zich niet in filosofische abstracties of ondoorzichtige wetenschappelijke bewoordingen. Voorts maakt hij een voortreffelijke keuze in de thema’s en de volgorde waarin hij het boek opbouwt. Na twee zware hoofdstukken wordt het boek vanaf het tweede deel leesbaarder. De Egotunnel eindigt met een apotheose waarin de auteur de toekomst van de mens in de laatste fase van de bewustzijnsrevolutie schetst. Metzinger maakt het belang duidelijk van een bewustzijnsethiek en deinst er niet voor terug om de lezer te confronteren met een nuchter en onthutsend toekomstbeeld van de mens. De Egotunnel is een fantastisch boek dat ons onderdompelt in de wereld van het menselijk bewustzijn. Doorheen het boek zien we onze zekerheden, waar we ons in het dagelijkse leven aan vasthouden, hoe langer hoe meer vervagen. Het lijkt bij momenten dat Metzinger zich voor dit boek heeft laten inspireren door de sciencefictionliteratuur, maar niets is minder waar. De Egotunnel is een stevig onderbouwd filosofisch-wetenschappelijk werk. Het boek bevat een belangrijk pleidooi en is dus een absolute aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de menselijke natuur, het bewustzijn, en het lichaam-geestprobleem. |


