| Gek, slecht en droevig. Geschiedenis van vrouwen en psychiatrie van 1800 tot heden |
|
|
|
In haar meest recente boek met als originele titel Mad, bad en sad schreef Lisa Appignanesi een verhaal neer over gekte, slechtheid en droefenis. Het boek schetst de geschiedenis van de psychiatrie vanaf 1800 tot heden waarin vrouwen de hoofdrol spelen. Gek, slecht en droevig bestaat uit 15 hoofdstukken die elk een ander thema behelzen. Het boek is chronologisch opgebouwd en ingedeeld volgens de dominerende trends van de psychiatrie. Het boek opent met het verhaal van Mary Lamb, een schrijfster die in 1758 haar verlamde moeder vermoordt en haar seniele vader verwondt. De artsen die Mary behandelen brengen deze daad in verband met haar moeilijke jeugd die ze doorbracht aan de zijde van een kille en tirannieke moeder. Mary wordt berecht en vervolgens vrijgesproken op grond van krankzinnigheid. Na 1800 zou een dergelijke vrijspraak niet meer mogelijk zijn aangezien de wet inzake criminele krankzinnigheid begin 19e eeuw grondig werd aangepast. Op hetzelfde moment was er in Europa ook een andere evolutie aan de gang. Bethlem Hospital in Londen, één van de oudste Europese krankzinnigengestichten werd eind 18e eeuw hevig bekritiseerd omwille van de gruwelijke en in therapeutisch opzicht niets opleverende technieken die er gebruikt werden. De krankzinnigen uit Bethlem en andere ‘dolhuizen’ werden uit hun boeien bevrijd en de voorvechters van de nieuwe gestichten benadrukten het belang van zorg en aandacht voor de patiënten tijdens hun behandeling. Ook de opvattingen van de psychiaters in die tijd verschilden radicaal van hun voorgangers, die nerveuze aandoeningen in verband brachten met hekserij en zwarte kunst. De talrijke vernieuwingen, versterkt door de medische professionalisering van de geneeskunde, luidden een nieuw tijdperk in voor de psychiatrie. Gek, slecht en droevig biedt een overzicht van de psychiatrie en de manier waarop men in de loop van de geschiedenis naar krankzinnigheid keek. De opeenvolgende periodes van de psychiatrie kenden hun specifieke geestesgesteldheden met bijhorende symptomen, diagnoses en behandelmethoden. Maar ook binnen elke periode rivaliseerden psychiaters met eigen verklaringen van psychische aandoeningen en hanteerden ze heel uiteenlopende behandelingen van geestesziekten. Zo waren Pinel en Esquirol de eerste aliënisten of psychiaters in Frankrijk die begin 19e eeuw de populaire diagnose monomanie of gedeeltelijke krankzinnigheid die gepaard gaat met opwindende passies, de wereld instuurden. 50 jaar later werd door toedoen van de Franse neuroloog Charcot de aandacht gericht op een andere aandoening, namelijk de hysterie. Eind 19e eeuw bracht de psychoanalyse de nieuwe diagnose schizofrenie aan het licht en aan het einde van dezelfde eeuw werd de meervoudige persoonlijkheidsstoornis veelvuldig gediagnosticeerd. Dit zijn maar enkele voorbeelden van ‘modieuze aandoeningen’ die in de voorbije twee eeuwen de revue passeerden. Zoals de filosoof Ian Hacking schrijft, “kent iedere generatie behoorlijk strikte regels voor hoe je je moet gedragen als je gek bent.” Het verhaal van Mary Lamb wordt in het boek gevolgd door een reeks verhelderende mini-biografieën van iconische vrouwen zoals Virginia Woolf, Zelda Fitzgerald, Sylvia Plath en Marylin Monroe. De levensverhalen van Virginia Woolf en Zelda Fitzgerald worden afwisselend op een levendige manier verteld. De twee vrouwen waren getuige van de opkomst van de psychoanalyse begin 20e eeuw en werden beiden behandeld door prestigieuze artsen zoals Freud en Bleuler. Appignanesi legt interessante links tussen het leven en de ziekte van beide vrouwen en beschrijft daarnaast tevens een aantal casussen van minder bekende vrouwen, alsook van enkele vrouwelijke patiënten wiens naam onherroepelijk verbonden blijft met hun arts. Patiënten zoals Augustina, die Charcot onder zijn hoede nam, en Anna O., die behandeld werd door Freud en Breuer, komen aan bod. Ook aan Sabina Spielrein, de bijzondere patiënte van Jung die later zelf als één van de eerste vrouwelijke psychoanalytici optrad, is heel wat aandacht geschonken. Appignanesi hanteert een interessante invalshoek door haar vrouwelijke personages in het licht van hun ziektes en de hiermee gepaard gaande observaties, diagnoses, behandelingen en artsen, te plaatsen. Appignanesi schetst onomwonden een betreurenswaardig beeld van de vrouw dat gedurende lange tijd in de geschiedenis overheerste: de vrouw als intellectueel minderwaardig wezen met een frêle gestel waardoor zij bevattelijk is voor krankzinnigheid. Desalniettemin laat de auteur het niet na om bij tijd en wijle de verdedigers van het vrouwelijke geslacht op te werpen. Ze maakt melding van vrouwenbewegingen en feministen die zich verzetten tegen de onderwerping van de vrouw. Hiernaast brengt ze ook een aantal intellectuelen ter sprake waaronder de filosoof John Stuart Mill die opriep tot onderwijs voor de vrouw en een correcte psychologische analyse tussen man en vrouw die de vooroordelen van eerdere bevindingen zou weerleggen. In haar boek betoogt Appignanesi dat geestesziekten in bepaalde mate de cultuur en de maatschappij weerspiegelen waarin ze voorkomen. Of het nu gaat over de geestesziekte délire die de verbeelding van de revolutionaire opstandeling in het Napoleonistische Frankrijk suggereert, de oorlogsneurose tijdens de Tweede Wereldoorlog of eetstoornissen heden ten dage, vele ziekten en aandoeningen zijn een uitdrukking van hun tijdsgeest. Appignanesi toont aan dat dit verband ook aanwezig is in de literatuur van elke generatie. Het boek is doorspekt met interessante verwijzingen naar literaire auteurs en denkers die de voorbije twee eeuwen hun inspiratie vonden in de gekten en culturele fenomenen van hun tijd. Onder andere Flauberts hysterica Madame Bovary en Allan Poe’s personages wier zenuwen door langdurig lijden verzwakt waren, konden hier niet ontbreken. Andere mooie voorbeelden zijn Thomas Mann’s beschrijvingen van een geïndustrialiseerde en neurotische samenleving, Marcel Proust die verwees naar de toestand van de slaap en Dostojevski die schreef over de dubbele persoonlijkheid. Niettegenstaande de culturele plooibaarheid van het concept waanzin zijn een aantal zaken in de psychiatrie vrijwel onveranderd gebleven in de voorbije 200 jaar. In de eerste plaats is er de aanwezigheid van de figuur van de vrouw in de psychiatrie. Sinds het begin van de 19e eeuw kent de waanzin een onveranderlijk vrouwelijk karakter en zijn vrouwen veelal het onderzoeksobject van mannelijke artsen en psychiaters. Voorts houdt de hedendaagse psychiatrie zich nog steeds bezig met vraagstukken die decennia of eeuwen geleden al naar voren zijn gebracht. Zo opende men begin 19e eeuw het debat over preventieve hechtenis voor gevaarlijke geesteszieken, een onderwerp dat vandaag nog steeds ter discussie staat. De vraag of veiligheid in de maatschappij of eerder burgerlijke vrijheid voorop moet staan, komt hierbij aan bod. Een ander voorbeeld gaat over de genezing en behandeling van geestesziekten. De hedendaagse psychiatrie moet toegeven dat, ondanks de mooie beloftes van de farmaceutische industrie, voor de meeste psychische stoornissen nog steeds geen absolute behandeling bestaat. Gek, slecht en droevig is een meeslepend overzicht van twee eeuwen psychiatrie waarin artsen en patiënten met evenveel aandacht worden belicht. Het is een aantrekkelijk en lezenswaardig boek dat de talrijke levensverhalen en de verschillende psychiatrische stromingen op een objectieve manier tracht te benaderen. Hoewel Appignanesi hiervoor de nodige omzichtigheid in haar streven naar objectiviteit aan de dag legt, onthult ze in het laatste hoofdstuk haar eerder radicale opvattingen over de toenemende medicalisering van de samenleving. Onze chemische maatschappij zou volgens haar leiden tot het ontstaan en benoemen van nieuwe stoornissen. Zo wordt een depressie als een afwijking gezien, terwijl het toch niet verwonderlijk is dat vele mensen op een bepaald moment in hun leven angstig of verdrietig zijn. Ook vraagt de auteur zich af of we een chronische aandoening niet beter kunnen beschouwen als een onderdeel van menselijke tekortkomingen. Hiernaast suggereert Appignanesi dat minder behandelingen met geneesmiddelen wel eens veiliger voor de patiënten zou kunnen zijn omdat er verborgen negatieve aspecten aan het licht zijn gekomen uit geneesmiddelenonderzoek. De schrijfster besluit dat de toekomst voor vrouwelijke patiënten er veelbelovend uitziet door het toenemende aandeel van vrouwelijke artsen en therapeuten in de geestelijke gezondheidszorg. Het valt evenwel nog af te wachten, aldus Appignanesi, of hun positie in dit vakgebied daadwerkelijk het lot van vrouwelijke patiënten zal verbeteren.
|


