| Laat je niet volvreten. Hoe de voedselindustrie schade toebrengt aan onze gezondheid |
|
|
|
David A. Kessler haalt in zijn verslag Laat je niet volvreten één van de actuele problemen aan die de laatste decennia in onze Westerse samenleving een grote rol speelt, namelijk het zorgwekkende eetgedrag en de voedingsindustrie die in toenemende mate daarop inspeelt. Kessler vraagt zich in de eerste plaats af hoe het komt dat obese mensen beseffen dat ze overgewicht hebben, maar er desondanks niet in slagen om iets aan hun situatie te veranderen. Wat maakt het zo moeilijk om dit gevecht tegen de eetlust te winnen? Waarom kan de mens zich door het overaanbod aan voedsel niet meer beheersen? Eten is prominent aanwezig in ons leven en vervult verschillende functies in de moderne maatschappij. Tegenwoordig eet de mens niet enkel meer om te overleven, maar hij doet dat nu om getroost of beloond te worden, om mensen te ontmoeten, om een belangrijke gelegenheid te vieren, … Kortom, vandaag is eten een veelzijdige en complexe kwestie. Het eerste deel van het boek schetst een helder beeld van de neurale wetten die aan de grondslag van ons eetgedrag liggen. De titel van dit deel verwijst naar de drie essentiële boosdoeners van het menselijke lichaam gedurende de laatste decennia uit evenwicht: namelijk suiker, vet en zout. Door de grote opkomst van restaurantketens en supermarkten in Noord-Amerika tijdens de jaren 70 van de vorige eeuw, heeft de Amerikaanse cultuur een groot aandeel in de stijgende trend van het fenomeen obesitas. De eerste tekenen van obesitas kenmerkten zich bij deze Amerikanen die door de jaren heen steeds zwaarder werden. De opkomst van de restaurants zorgde er namelijk voor dat het makkelijker werd om aan eten te komen. Bovendien leefden de meesten meer en meer buiten en werkten ze langer waardoor ze steeds vaker tussendoor naar een ongezonde snelle snack grepen. Een derde van de Amerikaanse bevolking kampte met overgewicht in 1980. Onderzoek wijst uit dat deze trend in de loop der decennia werd verdergezet: het gemiddelde gewicht van mensen tussen 20 en 30 jaar steeg over 20 jaar met 13 kilo tot in 2000. In de leeftijdscategorie tussen 40 en 50 jaar is het gemiddelde gewicht toegenomen met 12 kilo in vergelijking met de jaren ‘80. De problematiek van de afgelopen decennia is daarom zonder twijfel de strijd tegen overgewicht of beter gezegd het gevecht tegen de drang naar meer en calorierijker voedsel. In het tweede deel haalt Kessler verschillende concrete voorbeelden aan van Amerikaanse voedselketens zoals Cinnabon en Chili’s Grill & Bar die op de eetverlangens van de consumenten inspelen. Met hun uitgebreide gegrilde vlees- en vismenu’s of zoete lekkernijen en ovengebak gebaseerd op combinaties van suiker, vet en zout weten deze ketens menig publiek voor hen te winnen. Eten is een industrie waarbij ook het aspect entertainment aan belang wint. In deze verschillende types etablissementen wordt eten geprofileerd als een verwennerij die we kunnen kopen; als een soort van ontsnapping aan de drukte van een stressvolle wereld.
In hoofdstuk drie focust Kessler op een nieuwe term: “hypereten” of anders gezegd, overvloedig eten tot de verzadiging voorbij. De auteur verklaart dit fenomeen aan de hand van vele prominente prikkels van suiker-, vet- en zoutrijk voedsel waardoor de mens impulsief begint te eten. De blootstelling aan die smakelijke prikkels zorgt er voor dat we steeds sterker gaan reageren op eten, vaker denken aan eten, uiteindelijk meer voedsel zullen consumeren waardoor het beloningssysteem in de hersenen nog meer wordt geactiveerd en de mens zich tijdelijk beter voelt. Stress, emoties en stemmingswisselingen zorgen er tevens voor dat deze eetmechanismen worden versterkt waardoor dat proces van hypereten ontstaat. Het kortstondige effect hiervan is dat we ons verlangen naar de prikkels willen blijven bevredigen. Dat leidt tot nog meer overeten zodat we “geconditioneerd gaan hypereten” en een gewoonte creëren. Het komt er dus op neer dat we in de val worden gelokt door onze eigen hersenen. Maar een fundamentele vraag blijft parten spelen in deze discussie: “Is overeten aangeboren gedrag of wordt het door onze socio-culturele omgeving gestimuleerd?” In deel vier behandelt Kessler de theoretische achtergrond van het eetproces dat hij ziet als een prikkel-behoefte-beloning-gewoonte. Hij legt enkele moeilijk vatbare cognitieve processen uit die tijdens het eetproces van belang zijn zoals ons bewustzijn en het ontwennen van eetgewoontes. Zich bewust worden van een bepaalde eetsituatie en het opkomende hongergevoel is een eerste stap. Vervolgens kan er ook in het vaste eetpatroon verandering worden gebracht door bijvoorbeeld niet ’s avonds nog een boterham te smeren voor het slapen gaan. Een oude gewoonte moet worden vervangen door een nieuw gedrag zoals bijvoorbeeld een glas water drinken in plaats van die boterham nog naar binnen te smikkelen. In het voorlaatste deel van zijn boek geeft de auteur enkele tips om het probleem van hypereten aan te pakken. Hij stelt de lezer “eetplan” voor om de eetactiviteit beter te structureren. Dit plan omvat een soort van geestelijke training om onze hersenen te helpen weerstaan aan alle gastronomische verleidingen die op ons afkomen. De auteur geeft ons bovendien advies om een beter inzicht in en een betere controle over de geconditioneerde eetgedragingen te verkrijgen. Ten slotte keert Kessler in het laatste hoofdstuk terug naar de neurologische wetten die zich voordoen bij het zien en proeven van eten, namelijk het complexe proces waarop onze hersenen op de prominente prikkels reageren alsook de manier waarop de voedingsindustrie met hun gekwiekste marketing- en businessplannen onze eetgewoontes beïnvloedt. De eetwaren die bedrijven op een aanlokkelijke en multisensorische manier aanbieden, zijn sneller en toegankelijker, waardoor de klant meer en meer gaat eten. De consumptiewaarde neemt toe en daarmee is het businessplan volgens Kessler compleet. Het wordt ons langzamerhand duidelijk dat verschillende eetbedrijven zich eigenlijk niet bezighouden met wat goed en gezond is voor het lichaam, maar er voor willen zorgen dat eten de consument makkelijk bereikt. Het verslag van David Kessler is helder gestructureerd met vele concrete voorbeelden en een gestaafd theoriedeel waardoor dit boek vlot en begrijpbaar leest. Dankzij de illustrerende voorbeelden en het cijfermateriaal krijgen we een duidelijk beeld van hoe de voedselgiganten op verschillende manieren inspelen op onze verlangens: door het gebruik van misleidende reclame en aantrekkelijke verpakkingen maar ook door op geraffineerde wijze de aanwezigheid van bepaalde ingrediënten zoals suiker of vetten te maskeren. De sensorische stimulatie van voedsel wordt dus op de voorgrond geplaatst: het draait niet om de inhoud, maar om de verpakking, de aangename eigenschappen van het product, de plaats van consumeren en de presentatie van het voedsel die inwerken op het koopgedrag van de mens. Er zit een hele strategie achter het maken van een koekje. |


