| Het innerlijk oog |
|
|
|
Nog niet zo lang geleden las ik op het internet een bijzonder verhaal. Het was het relaas van een Britse kunstschilder, Sargy Mann, die op zijn 36ste zijn zicht was beginnen te verliezen door een onherstelbare cataract en die tenslotte, na ongeveer 20 jaar, volledig blind was geworden. Het meest frappante van het hele verhaal was echter, dat Mann nooit was opgehouden met schilderen. Meer nog, op het moment dat vermeld artikel verschenen was, had hij nog maar net een vernissage met eigen, recente, en overigens figuratieve, schilderijen geopend. Dit opmerkelijke voorbeeld, bedacht ik, had net zo goed een casus kunnen zijn uit het nieuwe boek van de befaamde, van oorsprong Britse, maar in de VS woonachtige en werkende, neuroloog en professor aan Columbia University, Oliver Sacks. Terwijl Sacks in zijn vorige boek, Musicofilia, nog uitgebreid focuste op de relatie tussen muziek, waarneming en brein, concentreert hij zich in zijn recentste boek Het innerlijk oog aan de hand van allerlei visuele stoornissen, op de wisselwerking tussen visuele perceptie en de hersenen. Hierbij gaat het uiteraard niet alleen om afwijkingen aan de ogen zelf die hun invloed hebben op ons brein (zoals in het geval van ‘retinale’ blindheid), maar ook om allerlei disfuncties in de hersenen die een verstoring veroorzaken van de visuele perceptie, resulterend in aandoeningen zoals onder meer alexie (leesblindheid) of totale visuele agnosie (psychologische blindheid). Naast dit aandoenlijke dagboekrelaas is er eerst en vooral het verhaal van de concertpianiste Lillian Kallir. Die constateert op een bepaald moment dat ze geen notenschrift meer kan lezen. Na neurologisch onderzoek blijkt dat ze getroffen is door Posterieure Corticale Atrofie (PCA), een vrij zeldzame, op de ziekte van Alzheimer lijkende vorm van dementie, die in haar geval, alexie veroorzaakt. Ondanks het feit dat haar conditie verergert, slaagt ze er toch in om via bepaalde strategieën zelfstandig te blijven functioneren en zelfs opnieuw muziek te spelen. Vervolgens beschrijft Sacks de medische geschiedenis van Patricia, een flamboyante galeriehoudster uit Long Island, die ten gevolge van een zware hersenbloeding, getroffen wordt door afasie, maar na een lange periode van revalidatie toch weer in staat is om te communiceren. Daarnaast is er de case study over Howard Engel, een Canadese schrijver van detectiveverhalen, die na een beroerte het vermogen verliest om te lezen, maar niet om te schrijven (Alexia sine agraphia), doch eveneens door een combinatie van therapie en wilskracht opnieuw tot het schrijven van boeken komt. Een andere casus verhaalt over Sue, die in haar jeugd scheel was, en hierdoor het vermogen verloor stereodiepte waar te nemen, maar die door behandeling geleidelijk dit vermogen weer herwint. En in het finale essay tenslotte, waaraan dit boek overigens zijn titel ontleent, gaat Sacks in op (vaak contradictorische) getuigenissen over retinale blindheid, zoals die van John Hull en Zoltan Torey. Want uit al die verhalen komen inderdaad vaak paradoxale condities naar voren die de neuroloog (en de lezer met hem) voor raadsels stelt. Hoe komt het bijvoorbeeld dat pianiste Lillian wel nog kleuren kan waarnemen, maar geen vormen en dat schrijver Howard, na diens beroerte, het vermogen verliest om te lezen, maar niet om te schrijven? Of dat iemand met prosopagnosie geen gezichten meer kan herkennen maar wel nog een gevoel van ‘herkenning’ heeft als hij iemand ziet? En tenslotte, waarom slaagt de ene persoon die blind wordt er niet meer in enig visueel beeld in zijn hoofd op te roepen, terwijl de andere juist wél nog een levendig visueel voorstellingsvermogen heeft, dat hem zelfs in staat stelt om visuele taken uit te voeren? Het lijkt erop dat Sacks deze vragen tracht te beantwoorden door af te stappen van de voorstelling dat bepaalde functies zoals zicht, herleid kunnen worden tot sterk omlijnde en weinig met elkaar communicerende zones in het brein. (Zoals men in de 19de eeuw een aantal gebieden identificeerde voor spraak, zoals de centra van Broca, Wernicke, etc…) Eerder wil hij aantonen dat er op hersenniveau een complexe wisselwerking tot stand komt als het gaat om het verwerken van visuele gegevens. Sommige neurologen spreken in dat verband trouwens van ‘metamodaal’ gedrag van het brein, of, zoals Elkhonon Goldberg, van een systeem van overlappende ‘gradiënten’ in plaats van ‘modules’. Sacks beroept zich onder meer op de bevindingen van psycholoog en neurowetenschapper Stanislas Dehaene, die gespecialiseerd is in onderzoek naar de processen die bij visuele waarneming betrokken zijn. Uit Dehaene’s research blijkt immers dat ieder mens in de infero-temporale cortex een ‘visueel woordvormgebied’ herbergt dat ons in staat stelt om letters en woorden te herkennen, ongeacht de taal. Maar lezen stopt uiteraard niet bij het herkennen van woordvormen. Geschreven taal dient ook om naast de klank van de woorden, de betekenis over te dragen, en dit visueel woordvormgebied vormt dan ook een waar knooppunt naar andere hersengebieden zoals die voor gehoor en spraak, de verstandelijke en uitvoerende gebieden, en de zones voor geheugen en emotie. Hetzelfde geldt ook voor gezichts- en topografische herkenning, zegt Sacks. Die komt namelijk tot stand in afzonderlijke maar wel aangrenzende gebieden in de hersenen. Aansluitend en enigszins in het spoor van de 19de eeuwse wetenschapper Francis Galton (de neef van Darwin) tracht Sacks ook aan te tonen dat de mens misschien wel degelijk beschikt over een ‘geestesoog’ dat los van de visuele perceptie kan opereren. Hij demonstreert dit aan de hand van verschillende gevallen van blindheid. Zo haalt hij de hierboven vermelde blinde Australische psycholoog Zoltan Torey aan die, hoewel op 21-jarige leeftijd blind geworden, nog steeds een haarscherp visueel voorstellingsvermogen heeft, waardoor hij objecten als het ware kan ‘zien’ en manipuleren. Sacks verklaart dit door te stellen dat de neurale koppeling van waarneming en verbeelding in de hogere gedeelten van de hersenschors zeer nauw is. Hierbij steunt hij ook op het ‘verbeeldingsonderzoek’ (‘Mental Imagery’), van neuroloog en cognitief psycholoog Stephen Kosslyn. Gebruik makend van specifieke taken en technieken zoals fMRI-scans, heeft deze laatste vastgesteld dat zich in de hersenen verschillende netwerken bevinden voor de vorming van voorstellingen van objecten in de ruimte (de visuele verbeelding). Bovendien gaat Kosslyn zelfs zo ver om te stellen dat de visuele waarneming afhankelijk is van de visuele verbeelding en niet vice versa. (Wat misschien ook weer een bewijs vormt voor de filosofische opvattingen van Kant over de ‘a-priori’- vormen.) Anderzijds hebben neurowetenschappers de voorbije 50 jaar betoogd en bewezen dat, hoewel ons visueel ‘apparaat’ in ons brein aanwezig is bij de geboorte, dit toch vóór een bepaalde kritieke periode moet worden gestimuleerd om überhaupt te kunnen waarnemen. Desondanks is uit recent onderzoek, onder meer door wijlen de Amerikaanse neurofysioloog, Paul Bach-y-Rita, gebleken dat door ‘sensorische substitutie’, zoals bij ‘tongzicht’ (via een camera worden visuele prikkels doorgestuurd die omgezet worden door elektroden bevestigd aan de tong), er zelfs bij blindgeborenen toch nog activiteit in de visuele cortex kan worden waargenomen. Dit toont vermoedelijk aan, argumenteert Sacks, dat het brein, zoals in het geval van “Stereo Sue”, over een merkwaardige plasticiteit en regeneratief vermogen moet beschikken die zelfs een Nobelprijswinnaar zoals David Hubel, nog voor raadsels stelt. Sacks krijgt over zijn boeken vaak twee terugkerende verwijten: een eerste is dat hij meer geïnteresseerd zou zijn in het schrijven van een mooi boek dan in het lot van zijn patiënten. Toch lijkt hij deze kritiek in dit boek alvast op een handige manier te anticiperen én te pareren. Niet alleen gaat hij diep in op de menselijke dimensie van de problemen van zijn patiënten, ook zijn eigen leed en de hiermee gepaarde angsten komen uitgebreid aan bod. Desalniettemin weet Sacks ook die passages voldoende wetenschappelijk te kaderen, waardoor hij gelukkig de loutere anekdotiek ontstijgt. Een andere vaak gehoorde opmerking is dat in diens boeken weinig decisief bewijs geleverd wordt voor de verklaring van de beschreven ziektebeelden, en dat zijn bewijs ook niet echt via een empirische, ‘double-blind’ wijze tot stand is gekomen. Het moet gezegd dat Sacks zelf niet aan ‘origineel’ wetenschappelijk onderzoek doet om zijn casussen te onderbouwen, maar eerder een diagnose velt, gebaseerd op het rijke aanbod van wetenschappelijke publicaties uit het domein van de neurowetenschappen en uit gesprekken met collegae. Hij ziet zichzelf trouwens, zoals hij in het voorwoord duidelijk aangeeft, eerder als een praktiserend arts dan als een academisch neuroloog. Dat de erudiete en multidisciplinaire Sacks zijn wetenschappelijke literatuur niettegenstaande grondig beheerst, is ook in dit boek duidelijk. Niet alleen slaagt hij erin om de lezer, zoals in een hoorcollege, te laten kennismaken met de lange weg die de neurologie heeft afgelegd van de prille hersenfunctie-theorieën van Gall, over de waarnemingen van 19de eeuwse neurologen en psychiaters zoals Broca, Charcot en Déjerine, tot hedendaags fMRI-onderzoek; voorts haakt hij in dit boek, in tegenstelling tot in ‘Musicofilia’, ook meer in op nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen waardoor zijn reflecties een heel up-to-date karakter krijgen. Hij weet dit echter, zoals in zijn voorgaande werken, op een lucide en toegankelijke manier te doen die zowel interessant kan zijn voor een leek als voor iemand die reeds vertrouwd is met het onderwerp. Dat Sacks’ typische ‘dada’s’, zoals zijn fascinatie voor stereoscopie en zijn getalfetisjisme rond atoomnummers ook weer van de partij zijn, moet de lezer er maar bijnemen. Het enige echt jammerlijke in deze publicatie vind ik het ontbreken van enige toelichtende grafieken van het brein, om de toch complexe ‘geografie’ van de hersenen en de stroom van geciteerde locaties van aandoeningen wat duidelijker te maken. (Er staan overigens wel afbeeldingen in dit boek – zij het mijns inziens minder terzake doende voorstellingen uit Sacks’ ‘melanoomdagboek') Uiteraard zal je geen conclusieve antwoorden in dit boek aantreffen, daar blijft Sacks misschien een toch net iets te grote verhalenverteller voor, en overigens leent een beschrijvende studie zich volgens de methodologie niet echt tot causale verbandtrekking. In ieder geval is dit werk een aanbevelingswaardige en compleet aandoende ‘round-up’ van alle kennis die over het onderhavige onderwerp bestaat. Daarnaast is Het innerlijk oog natuurlijk een ‘must-have’ voor mensen die geinteresseerd zijn in de werking van het brein en/of de visuele perceptie, en natuurlijk voor de aficionado’s van het oeuvre van Oliver Sacks zelf. |


