| Alter Nature - Symposium |
|
|
|
"The most important question is not which future will come, but which future do we want?" (Sven Hendrix)Op 18 februari 2011 vond in de gebouwen van de Universiteit Hasselt het Symposium Alter Nature plaats. Het symposium kaderde in een overkoepelend project met verschillende tentoonstellingen en evenementen waarin een 50-tal artiesten en designers onderzoeken hoe onze groeiende mogelijkheden om creatief in te grijpen in de natuur onze blik op de wereld veranderen. Dit alles onder de noemer Alter Nature, georganiseerd door Z33, het Huis voor actuele kunst in Hasselt in samenwerking met onder andere het Modemuseum en CIAP en MAD faculty (Media Arts Design). Samen met de Universiteit Hasselt en het Vlaams Instituut voor Biotechnologie wou Z33 met dit symposium een forum bieden om in drie aansluitende sessies telkens een specifiek aspect van de biotechnologische revolutie te bespreken: Designing Nature, Designing Human Life en Owning Life. Een dozijn sprekers uit diverse disciplines ging in op een aantal van de beloftes, kansen en uitdagingen van de huidige biotechnologische ontwikkelingen. Uitgangspunt was dat de vragen die worden opgeworpen door de biologische revolutie niet enkel van wetenschappelijke aard zijn, maar ook implicaties hebben voor de wereld van kunst en design, voor bedrijfsleven en voor politiek. Elke sessie bestond uit een keynote, gevolgd door een drietal kortere presentaties en de mogelijkheid tot het stellen van vragen. In zijn verwelkoming schetste professor dr. Sven Hendrix (Uhasselt) de extreme reacties en bekende associaties die de snelle wetenschappelijke ontwikkelingen vaak oproepen. Aan doemscenario’s en utopieën rond de bio-industrie geen gebrek. Bedoeling van het symposium was om dergelijke in wezen deterministische scenario’s liefst te vermijden. Het mag niet in de eerste plaats gaan om de vraag welke toekomst ons te wachten staat. We zijn immers geen passieve toeschouwers met betrekking tot deze ontwikkelingen. Welke toekomst willen we? Dat is de vraag. Al zal het antwoord wel degelijk rekening moeten houden met een aantal wetmatigheden: 1. Assumptions about the future shape the present en 2. Trends in science become industry; and assumptions about technological development shape science. Het is dus allerminst toeval dat de markt nu reeds gescreend wordt met de nieuwe ideeën rond biotechnologie in het achterhoofd. Prof. Dr. Robert Zwijnenberg (directeur van het Arts and Genomics Center in Nederland) raakte in zijn introductie een ander spanningsveld aan dat wordt opgeroepen door de nieuwe biowetenschappen: welke rol kunnen kunst en design spelen in deze ontwikkelingen? Er gaapt een enorme kloof tussen de wetenschappelijke en de artistieke wereld, maar volgens professor Zwijnenberg is het van een absolute noodzaak en urgentie dat kunst een actieve en kritische rol begint te spelen in de biowetenschappen. Cruciale vraag daarbij is of de kunst haar eigen retoriek zal kunnen waarmaken, of ze de loutere intentieverklaring kan overstijgen en er effectief in zal slagen om een kritisch bewustzijn te creëren over de implicaties van de wetenschappelijke ontwikkelingen. Van belang zal zijn om in deze interactie een aantal fatale valkuilen te ontwijken: bijvoorbeeld wanneer kunst verzandt in een oppervlakkig spel zonder volgehouden artistieke focus en zonder werkelijke gevolgen voor de wetenschap waarop ze reageert. Of wanneer kunst zonder het te beseffen medeplichtig wordt aan de manipulaties en herhalingen van het wetenschapstechnologische discours dat ze hoort te ontmaskeren. Al te vaak schiet zelfverklaard kritische kunst hierin te kort en blijft ze steken in louter pretentie. Maar toch kunnen ook geslaagde uiteenzettingen aangehaald worden, voorbeelden waarin de unieke, specifiek artistieke relatie tussen esthetiek en ethiek ten volle werd uitgebuit, zodat er een diep en nieuw inzicht ontstaat over de vragen waarmee de biowetenschappen ons confronteren. In een eerste sessie, opgebouwd rond het thema Designing Nature, kregen we meteen een aantal voorbeelden voorgeschoteld. Keynote was van Ignace Schops, die wees op het belang van biodiversiteit en een aangepaste didactiek om het besef ingang te doen vinden dat we onze levens moeten en kunnen (her)ontwerpen om een nieuwe harmonie met onze planeet te bewerkstelligen. Meest opvallende figuur van dit symposium was wellicht Adam Zaretsky, zelfverklaard artiste provocateur die er ondanks een warrige (voor de fans wellicht geniaal ‘deconstructionistische’) waterval aan nonsensicaal, schijnbaar wetenschappelijk jargon toch in slaagde met zijn bio-art een aantal heel concrete ethische vragen te illustreren, bijvoorbeeld over het statuut van dierlijke embryo’s of over het relatieve belang van diversiteit versus kwaliteit van leven. Alexandra Daisy Ginsberg verkende in haar presentatie de esthetica van synthetische biologie op basis van haar internationale samenwerkingsproject waarbij ze een aantal jonge kunstenaars en wetenschappers samenbracht. Huib de Vriend tenslotte hield de concrete mogelijkheden van de huidige synthetische biologie tegen het licht: hoewel we nog niet in staat zijn leven uit niets volledig op te bouwen, beheersen we nu reeds de mogelijkheid om de natuur te imiteren en te manipuleren in enkele heel complexe systemen. De op gang zijnde shift van ‘lezen’ naar ‘schrijven’ en de verschuiving van ‘aanpassen’ naar ‘ontwerpen’ zal niet enkel op medisch gebied enorme invloed uitoefenen. Uit het debat na deze eerste sessie bleek dat biotechnologie op onvermoede manieren verbonden is met de praktijk van kunstenaars en ontwerpers, en dat hierin een heel nieuwe uitdaging schuilt voor ons traditionele concept van natuur en natuurlijkheid. Na de middag werd in een tweede sessie het onderwerp Designing Human Life aangesneden, waarin de grens zou worden opgezocht tussen het genezen en het verbeteren van mensen. Hoe maakbaar is de mens ondertussen echt? Op welke manier dwingen de groeiende technologische mogelijkheden ons tot conceptueel omdenken? Welk soort mens willen we? In haar keynote hield internationaal vermaard stamcelexperte Catherine Verfaillie de voeten stevig op de grond. De wetenschappelijke pogingen om menselijk weefsel na te bouwen kunnen vergeleken worden met het bouwen van een huis: je hebt een structuur nodig en middelen om die structuur op te vullen. Ze beschreef heel concreet hoe de zoektocht naar niet-gedifferentieerde, pluripotente stamcellen zowel ethische als wetenschappelijke onzekerheden met zich meebrengt. Toch was er ook het vertrouwen dat met het huidige onderzoek naar de creatie van pluripotente stamcellen wellicht enkele ethische problemen minder urgent beloven te worden. Kunstenaar Koen Vanmechelen illustreerde na deze keynote kort hoe zijn indrukwekkende Cosmopolitan Chicken Project niet in de eerste plaats over kippen gaat, maar over de mens en de manier waarop we met diversiteit omgaan. Ingenieur Rinie van Est pikte in op het thema vanuit een historisch perspectief. Hij beschreef de verschuivingen in de wijze waarop de menselijke natuur omging met en werd beïnvloed door de technologie die we ontwikkelden. Door de huidige convergentie van Nanotechnologie, Biotechnologie, Informatietechnologie en Cognitieve wetenschap ontstaat volgens hem een radicaal nieuwe, kwalitatief ongeziene sprong in deze evolutie. Meer dan ooit moeten we ons afvragen wat de gevolgen zullen zijn voor ons zelfbeeld en de noties van menselijke waardigheid die hiermee onlosmakelijk verbonden zijn: “Do we know what kind of things we don’t want to lose?” vraagt hij zich af. De sessie werd afgesloten met een interessante inkijk in de wereld van de regeneratieve geneeskunde. Reumatoloog Frank Luyten beschreef in verhelderend detail enkele van de verschillende wegen en soms spectaculaire resultaten die nu reeds geboekt worden in de ‘kunst’/biotechniek van het overbruggen van ernstige bot- of weefselbreuken. Zowel de manieren waarop we onze natuurlijke herstelmechanismen steeds beter kunnen manipuleren als de nieuwe mogelijkheden die we scheppen met extrinsieke herstellingen, blijken niet enkel wetenschappelijk maar ook economisch heel relevant. Bio-ingenieurs mogen zich volgens Luyten verheugen op een nieuwe en beloftevolle industrie in volle ontwikkeling. Het symposium werd afgesloten met een derde blok rond het thema Owning Life, waarin wat dieper werd ingegaan op de politieke, sociale en vooral economische belangen die verbonden zijn met de evoluties in biowetenschap. In deze sessie werden vragen gesteld naar de “waarde” van de natuur en wetenschappelijke ontdekkingen. Wie kan zich eigenlijk de bezitter van de natuur noemen? En zijn onze procedures rond copyright en patentrecht wel up to date? De frisse en creatieve interventie van keynote-speaker Jean-Paul Neeley zorgde aanvankelijk voor nogal wat onrustig gefrons: hij gaf zich uit als vertegenwoordiger van Gaia Corporation - een organisatie die de steward van ‘s werelds intellectuele eigendommen bleek te zijn - en verwees naar enkele sleutelmomenten uit de geschiedenis van het bedrijf. Pas wanneer hij hierbij plots een datum als “2023” liet vallen, werd voor een reeds danig in verwarring gebracht deel van het publiek ook expliciet duidelijk dat we te maken hadden met een fictief toekomstverhaal. Het soort fictie dat de vragen van deze sessie meteen scherp wist te stellen. De perfecte inleiding voor de presentaties van Philippe Jacobs (Tech Transfer UGent) en Berthold Rutz (European Patent Office), die beiden vanuit hun eigen professionele achtergrond het belang, de concrete regels, de nuances en de disputen van het patentrecht met betrekking tot biotechnologische ontdekkingen uit de doeken deden. Beiden wezen er op dat het patentrecht een niet-onproblematisch, maar in wezen dynamisch en steeds evoluerend gegeven is, en wellicht altijd zal blijven. Het laatste woord in deze sessie was voor Wauthier Robyns (Assuralia), die door de bril van het verzekeringswezen keek naar de theoretische en praktische gevolgen van onze toenemende kennis over het menselijke genoom en de steeds accuratere medische voorspellingen die hiermee gepaard zullen gaan. Moderator van dienst was wetenschapsjournalist Peter Raeymaekers, die de hele dag meer dan verdienstelijke pogingen deed om de trein van boude stellingen, voorzichtige voorspellingen, ironische interventies, grote vragen en al dan niet relevante opmerkingen op het spoor te houden. Mede door het sterk interdisciplinaire karakter van de panels bleef een vorm van overkoepelende visie of een gemeenschappelijk denkkader voor het formuleren en beantwoorden van de opgeworpen vragen wat uit. Meer dan vooral open vragen en een aantal individuele pogingen om de belangrijkste dilemma’s te beschrijven, mag en kan men echter niet verwachten van een verkennend initiatief als dit symposium. Het samenbrengen in één forum van mensen uit de wereld van kunst, wetenschap en industrie was in elk geval waardevol en verdient zeker navolging. Al was het maar omdat dit soort academische gelegenheden het ideale excuus vormen voor de receptie achteraf, waar zoals bekend steeds de meest vruchtbare uitwisselingen en debatten hebben plaatsgevonden. Pieter Peyskens |


