| Lijf en leed. Geneeskunde voor iedereen |
|
|
|
Wie er de kranten, en meer bepaald de fora, op naslaat, krijgt vaak het gevoel dat eenieder zo langzamerhand een specialist is. Welk thema het ook mag zijn, er zijn altijd wel mensen die een mening klaar hebben waarbij ze verwijzen naar bepaalde feiten of denkbeelden die maar al te vaak niet (helemaal) correct zijn. Ook dokters zullen ervan kunnen meespreken. Sinds patiënten mondiger zijn en zich via medische encyclopedieën en (tegenwoordig) het internet zelf kunnen informeren, durven ze meer dan eens met de dokter in discussie te gaan. Dat een diagnose zich niet zomaar laat stellen en meer vergt dan enkele feitjes opsnorren, wordt daarbij handig over het hoofd gezien. Uiteraard is het evenmin zo dat een arts als baken van alwetende wijsheid behoort te fungeren, de tijd dat “meneer doktoor” geen tegenspraak duldde, ligt gelukkig ver achter ons. In Lijf en leed. Geneeskunde voor iedereen van neurochirurg Jan van Gijn worden beide bovenstaande extreme visies meer dan eens (on)rechtstreeks aangekaart. Van Gijn schreef dit boek zowel voor beginnende artsen als de leek, al zal in de eerste plaats deze eerste bij de soms openhartige verhalen baat hebben. Van Gijn kaart immers meermaals aan dat een arts, zelf als hij vele jaren ervaring heeft, niet zomaar op zijn lauweren kan rusten. Een symptoom kan ogenschijnlijk een lichamelijke oorzaak hebben en toch psychosomatisch zijn of omgekeerd. Het blijft zaak om steeds tijd te nemen voor de patiënt in kwestie en niet te snel een diagnose te stellen. Om deze (en andere) stellingen duidelijk te maken kiest Van Gijn voor tal van praktijkvoorbeelden die aantonen dat een eerste en niet grondig afgetoetste diagnose de bal ernstig mis kan slaan. Zijn boek geldt als een lang pleidooi voor voorzichtige en doordachte beslissingen waarbij de kennis van de arts en het ervaren van de patiënt samen gaan en elkaar aanvullen. Net zoals de patiënt vanuit zijn leefwereld het beste geschikt is om bepaalde kwalen te duiden, is de arts de aangewezen persoon voor het stellen van een medische diagnose en behandeling. In de vierentwintig hoofdstukken die het boek telt, gaat Van Gijn dieper in op deze arts-patiëntrelatie en neemt hij verschillende onderwerpen onder de loep. Naast behandeling en diagnose komt bijvoorbeeld ook het thema levensbeëindiging aan bod (Nederland heeft net als België een euthanasiewetgeving) en wordt de vraag naar het nut van bepaalde geneeskundige handelingen gesteld. Niet elke operatie is even nodig, laat staan dat ze maatschappelijk (en economisch) verantwoord kan worden. Als neurochirurg met ettelijke jaren ervaring is van Gijn uitstekend geplaatst om het medisch wezen van de voorbije twintig jaar onder de loep te nemen en evoluties en veranderingen te duiden. Daarbij wordt duidelijk dat de arts weliswaar van zijn voetstuk is gekomen maar nog steeds een niet te onderschatten rol speelt als “geneesheer”. Lijf en leed. Geneeskunde voor iedereen richt zich weliswaar tot iedereen maar door zijn thematiek en invalshoek blijft het toch in de eerste plaats een boek waar vooral (aspirant-) studenten geneeskunde en jonge artsen iets uit kunnen leren. |


