| Hersenspinsels. Waarom we dingen zien, horen en denken die er niet zijn |
|
|
|
André Aleman (°1975) is hoogleraar cognitieve neuronpsychiatrie in Groningen en onderzoekt waar waanbeelden van mensen met schizofrenie vandaan komen. In Hersenspinsels. Waarom we dingen zien, horen en denken die er niet zijn wil hij ons tonen waar de grens zou liggen tussen normaal en abnormaal, tussen werkelijkheid en fantasie: het is een vraagstuk op het snijvlak van medisch onderzoek, biologie en gedragswetenschappen (p. 9). Een centrale vraag is hoe het kan dat mensen dingen zien, horen of denken die er niet zijn. In plaats van ‘zien is geloven’ moet men wellicht stellen ‘geloven is zien’ (p. 10-11). Onze waarneming van de wereld om ons heen is slechts gedeeltelijk gebaseerd op inkomende informatie via de zintuigen. Voor een groot deel is zij gebaseerd op eerdere kennis en verwachtingen. Onze hersenen reconstrueren de gefragmenteerde informatie die binnenkomt tot een betekenisvol geheel op basis van voorkennis (p. 14-15) en zij vullen moeiteloos ontbrekende informatie aan met een logisch alternatief (p. 23). Zo is ons gedrag gebaseerd op modellen van de werkelijkheid in ons hoofd (p. 32). Eén thema ontbreekt helaas: het is weggemoffeld in voetnoot 1 van hoofdstuk 3: “Dit kan de vraag oproepen hoe het zit met religieus geloof. Is dat ook gebaseerd op een denkstijl die verwant is aan wanen? De paranormale verschijnselen die ik bespreek zijn gevallen waarin iets geloofd wordt terwijl het meetbaar aan te tonen is dat dit niet klopt. Bij geloof in God en de belangrijkste geloofskwesties van de grote wereldgodsdiensten is niet meetbaar aan te tonen dat het niet klopt. Zelf denk ik dat religiositeit in het algemeen niet met wanen en hallucinaties samenhangt” (p. 186). In verband met geestesziekte zet hij zich sterk af tegen diegenen die een scherpe grens willen trekken tussen wel of niet geestesziek, een grens die nog steeds gebruikt wordt in het belangrijkste meetinstrument (DSM-IV) voor psychiaters en psychologen (p.54-55). Hij toont ook het belang aan van het begrip ‘schizotypie’ dat verwijst naar persoonlijkheidskenmerken die in de buurt komen van schizofrenie (p. 66), met als duidelijk voordeel het buiten kaders kunnen denken, origineel zijn, dus creatief (p. 68). Met een citaat van Mark Twain, “Je kunt niet op je ogen vertrouwen wanneer je verbeelding niet op scherp staat” (p. 72) leidt hij thema en onderzoek in omtrent voorkennis en verwachtingen die onze waarneming in belangrijke mate sturen (p. 101), waarbij ook blinde vlekken ingevuld worden door top-down processen, op basis van kennis en verwachtingen (p. 188) en waarbij ook vastgesteld wordt dat hallucinaties en wanen een sterk emotionele lading hebben (p. 112). Dit boek blijft boeiend, ook voor de doorsnee lezer, die uit allerlei informatie omtrent de diverse hersengedeelten en hun wisselwerking, er eigenlijk moet toe komen de eigen geestesgesteldheid te relativeren en te objectiveren door die door de ogen van een ander te kunnen bezien (p. 173 e.v.), wat bij patiënten ziekte-inzicht tot stand brengt dat hen weerbaarder kan maken tegenover stigmatisering en hen er toe brengt de noodzaak van hulp in te zien (p. 183). Achteraan het boek is niet alleen de rijke literatuur terug te vinden (geordend per hoofdstuk), maar ook een illustratieverantwoording en een goed geschakeerd register. |


