|
|
|
Stof tot denken gaat over denken over denken: ‘meta-denken’. Het boek zet in met de grondlegger van het Cartesiaanse substantiedualisme: Descartes scheidde in de 16e eeuw geest en lichaam van mekaar met zijn (ondertussen achterhaalde): “ik denk, dus ik ben”. Vervolgens wisselden verschillende perspectieven om te “denken over denken” mekaar af: 1. Perspectief van onze objectief waarneembare gedragingen (begin 20e eeuw, behavioristen) 2. Perspectief van onze objectief waarneembare hersentoestanden (identiteitstheoretici) 3. Perspectief van onze subjectief waarneembare proposities en intenties (de “folk theory”: psychologie van alledag) Een typische vraag van psychotherapeuten die peilen naar de subjectieve ervaring is: “Hoe is het voor jou om dit mee te maken?” Een antwoord kan enkel bekomen worden in dialoog, elk antwoord is subjectief. Volgend simpel voorbeeld spreekt hierbij voor zich: De vraag “Hoe is het voor een vleermuis om door echo-locatie (typische manier van vleermuizen om zich te oriënteren) zijn weg te vinden in de wereld?” kan enkel door een vleermuis beantwoord worden… Welk perspectief is nu het juiste? Deze vraag komt als een rode draad terug in het boek. Wat is wel of niet wetenschappelijk? Zo stelt onder andere D. Dennet zich de vraag of opvattingen en wensen “echt” zijn of niet? Zijn conclusie is dat de taal van de folk theory een meer efficiënte manier (met meer nut in ons dagelijkse leven) aanbiedt om echte patronen te beschrijven dan de taal van de huidige neuro-wetenschap . Als je bijvoorbeeld ziet dat er iemand een steen naar jou smijt, dan zal je proberen die steen te ontwijken om geen pijn te lijden. Je gaat niet denken in termen van optische zenuwen die signalen verwerken naar neurale gebieden in de hersenen en de aansturing van motorzenuwen enzoverder. Dit wordt veel te omslachtig. Een tussentijdse conclusie is, dat al deze perspectieven 1-dimensionaal zijn omdat ze enkel uitspraken doen binnen hun eigen domein, ze zeggen namelijk niets over de domeinen van de andere perspectieven. Zo zegt bv. de folk theory niets over verschillen in intelligentie of het pre-linguïstisch leerproces van kinderen. Anderzijds beschrijft de neuro-wetenschap de onderliggende data voor ons handelen, maar die onderliggende data (fysische toestanden) lijken niet intentioneel. Het mentale valt dus te onderzoeken door middel van introspectie, het fysische door middel van hersenonderzoek en het gedrag door middel van waarneming, maar het subjectieve laat zich niet in objectieve termen beschrijven en vice versa. Hoe past bewustzijn dan in de fysische wereld? Wat meerwaarde biedt, is om bijvoorbeeld introspectie en hersenonderzoek te combineren! Hiervoor pleit overigens ook de bekende Amerikaanse self-made filosoof (en best-seller-schrijver) K. Wilber. Door methoden te combineren, wordt kennis – over hoe bewustzijn in de fysische wereld past- opgeleverd die de methoden afzonderlijk nooit zouden gebracht hebben. Er wordt dus gepleit voor EN/EN-denken over denken ipv OF/OF-denken over denken! In het boek worden verder heel wat illustraties gegeven van ondersteuning/ hulpmiddelen ter simulering en bestudering van het menselijke denken, waaronder artificiële intelligentie, hersenonderzoek en gedachte-experimenten. De vooruitgang die men boekt in artificiële intelligentie, illustreert heel mooi hoe de stap wordt gezet van het concept van “ontkoppeld denken” (Descartes-denken) naar het concept van “on-line denken” als interactie tussen psyche, lichaam en omgeving: - De eerste generatie robots (bv. Shakey dd ‘60) zijn bewegende robots met een brein op afstand. Shakey is uitgerust met een tv-camera die info doorgeeft over de ruimte waarin hij zich bevindt aan zijn brein dat deze info representeert. Het grootste deel van de tijd staat Shakey echter stil omdat hij wacht tot zijn ver verwijderde hersenen een hele serie bewegingen heeft uitgedacht (op basis van upgedate representaties) om zijn uiteindelijke bestemming te kunnen bereiken. Zo’n benadering is uiteraard veel te omslachtig om te werken buiten een beperkte kunstmatige “microwereld” (zoals bv. een schaakcomputer)! Denken lijkt dus niet uitsluitend een kwestie van rekenen met representaties… en waarom de werkelijkheid in detail representeren als deze toch steeds voor consultatie beschikbaar is? - De nieuwe generatie “Mobots” houden zich niet bezig met cognitie maar wel met waarnemen en doen (net zoals overigens kleuters). Mobots verzamelen zelfstandig info uit de omgeving en koppelen dit direct aan gedrag. Een gekende toepassing hiervan is bv. de automatische stofzuiger. Er is dus geen aansturing door berekeningen over representaties, maar wel lokale senso-motorische feedback-loops. Zo is er snel reactiegedrag van de mobot mogelijk zonder voortdurend te rekenen. Intelligentie als voortdurende interactie tussen brein, lichaam en wereld. Ook evoluties in hersenonderzoek verruimen ons beeld over de werking van de hersenen: - De Franse arts Paul Broca poneerde eind 19e eeuw de hypothese van de lokalisatiedoctrine: denken zou het resultaat zijn van functionele eenheden, gelokaliseerd in afgebakende structuren van de hersenen, zo zou er bv. een module zijn voor taalproductie (zogenaamde gebied van Broca in linkerhersenhelft). - Uit MRI’s (magnetic resonance imaging) blijkt echter dat hersengebieden nooit uitsluitend bij een enkele mentale toestand actief zijn, maar juist bij verschillende. Uit letselstudies (studie van beschadigingen van de hersenen en invloed op gedrag) blijkt overigens dat na beschadigingen tal van compenserende veranderingen optreden in het brein wat doet vermoeden dat hersenen gekenmerkt worden door een meer dynamische niet-modulaire organisatie dan de (modulaire) lokalisatiedoctrine veronderstelde. Hersengebieden overlappen mekaar; zo blijkt het onmogelijk persoonlijke herinneringen te identificeren met een toestand in de hersenen. Herinneringen zijn geen permanent beschikbare en accurate representaties (ik denk hierbij aan “La Madeleine” van Proust). Het geheugen blijkt kneedbaar en feilbaar, “gaten” in de waarneming worden opgevuld met wat je eerder hebt meegemaakt of wat naar jouw mening normaal is in dergelijke omstandigheden. Uiteindelijk formuleert het boek de “best aanvaarde hypothese” tot nu toe over “denken over denken” als volgt: - Onze hersenen worden geassocieerd met begrippen als snelheid, flexibiliteit, parallelle werking en een talige (systematische) structuur, maar vertonen echter ook “blinde” vlekken (vaak is het zo dat niet wij maar onze omgeving ons gedrag stuurt). - Ons organisme stelt ons in staat om te leren ( ons aan te passen aan veranderende stimuli uit de omgeving). Bepaald denken gebeurd ontkoppeld, maar veelal gebeurt het on-line: de grens tussen cognitie, lichaam en wereld is vloeibaar. Het brein is plastisch en open voor externe invloeden, wat het in staat stelt om bij te dragen aan adaptief gedrag in vaak snel veranderende omstandigheden. - Op deeltjesniveau kunnen we ons denken beschrijven als een lerend neuraal netwerk met input-, midden- en outputunits waarbij kennis niet gelokaliseerd is in aanwijsbare representaties maar wel holistisch gedistribueerd over het gehele netwerk, dat overigens een feedback-netwerk is. De auteurs pleiten voor een verdere integrale samenwerking tussen o.a. evolutiepsychologie, neurowetenschappen en gedragswetenschappen om vooruitgang te blijven boeken over het “denken over denken”. Onder het motto “samen weten we meer”, hebben de auteurs van “Stof tot denken” dan ook de daad bij het woord gevoegd, door samen dit boek te schrijven dat mijn persoonlijke “denken over denken” absoluut verhelderd heeft. Ik geef kort 2 voorbeelden hiervan: - Het idee van de” vrije wil” (in de jurisprudentie houdt enkel een bewuste intentie je verantwoordelijk voor je daden) lijkt niet compatibel met de door de wetenschap ontdekte natuurwetten (waarin kleine deeltjes niets te kiezen hebben). Volgens de laatste bevindingen hierover zouden wij effectief niet in staat zijn om vrijwillig een handeling te initiëren, maar wel om die enkel toe te staan of tegen te houden. (Deze stelling wordt ook onderschreven in het boek ‘het onbewuste’ van A. Dijksterhuis). - Sommige evolutionair-psychologen beweren dat we “met hersenen zouden uitgerust zijn die onze voorouders ook hadden”, die eerder aangepast is aan de problemen uit hun tijd zoals reproductie en overleving dan aan de actuele problemen uit onze hedendaagse maatschappij. Neurale verbindingen blijken echter veel dynamischer en ervaringsafhankelijker dan de evolutionaire psychologie voorstelt. Ze breiden zich uit om vervolgens, naar wens, bijgeknipt te worden. Afhankelijk van waar je als individu mee in aanraking komt, ontwikkel je bepaalde eigenschappen. Culturele veranderingen zouden veelal plaatsvinden volgens dezelfde principes die gelden bij biologische veranderingen, nl. variatie, selectie en overerving. Tussen organisme en omgeving zou er een aanhoudende en dynamische co-constructieve relatie bestaan, zo zouden bijvoorbeeld tribale instincten zoals vermogens om groepsleden te herkennen, te imiteren en om je in hen te verplaatsen ontstaan zijn om groepsvorming en sociale cohesie te stimuleren. Deze bevindingen inspireren mij veel meer dan deterministische ideeën of de “psychologie van alledag”, ze moedigen mij in aan om een actieve (verantwoordelijke) rol te blijven spelen in mijn leven en het leven van de mensen in mij omgeving . Uiteindelijk gaan ideeën daarover: wat doen ze met mij? Wat voor iemand ben/word ik als ik dit idee geloof? |


