|
|
|
Zoals de titel van het boek aanduidt, wordt het belangrijke thema van de beïnvloeding van de techniek op het menselijke individu behandeld. Hoe ver mag de wetenschap gaan ? Hoe ver kan de wetenschap gaan zonder ons mens-zijn te verliezen ?
Volgens de schrijver zijn er twee uitersten met elk hun vertegenwoordigers.
Eerst zijn er de radikale transhumanisten die geen limiet stellen aan het gebruik van de technische mogelijkheden om de mens te verbeteren, zowel inwendig als uitwendig.
Op de tweede plaats zijn er de (bio)conservatieven die van geen ingrepen in het menselijk organisme willen weten. Zij vinden dit een aanslag op de werkelijke aard van de mens zoals hij nu is.
Met inwendige ingrepen wordt dan bedoeld onder meer de genetische ingrepen in het DNA, chipimplantatie in de hersenen (bvb. om het geheugen te verbeteren of om aangeboren ziekten te vermijden), kunstmatige toevoegingen aan het lichaam (bvb. aan de zintuigen) en dergelijke meer.
Met uitwendige ingrepen kunnen we denken aan protheses, nieuw gebit, bril, enz. wat reeds gangbaar is.
De conservatieven stellen zich ten doel “de grens van de mens” te bewaken. Vertegenwoordigers van die strekking zijn in de eerste plaats J. Habermas, en verder ook bvb. Leon Kass en Fr. Fukuyama. Zij vrezen een te grote ongelijkheid
tussen de verbeterden en de niet-verbeterden, dus een bedreiging van de democratie en van de vrijheid. Hun standpunt gaat uit van een wantrouwen van de techniekethiek.
De transhumanisten dromen van een verbeterde visie van onszelf, of zelfs van een opvolger van de “homo sapiens”. Zij vinden dit verbeteren een verdere evolutie van de mens en zouden het heel vreemd vinden als het evolutionaire proces opeens zou stoppen bij de huidige vorm van de mens. Vertegenwoordigers van die strekking zijn vooral Nick Bostrom en ook Jos De Mul en Peter Sloterdijk. Hun standpunt gaat uit van een blind vertrouwen in de technologie.
De schrijver neemt een standpunt in dat tussen beide is gelegen, en dat naar mijn mening dichter ligt bij het transhumanisme dan bij het conservatisme. Hij vraagt zich af of er een grens aan de mens is die we niet mogen overschrijden, en of de ethiek zich überhaupt wel moet bezighouden met het stellen van grenzen. Deze “grens van de mens” staat centraal in het boek. Verbeek stelt dat beide posities zich onvoldoende rekenschap geven van de complexiteit van de relaties tussen mens en technologie. Hij vindt dat de transhumanisten nogal gemakkelijk over het hoofd zien dat de verbeteringen de mens radicaal veranderen. Aan de andere kant zijn de conservatieven er zich onvoldoende van bewust dat het trekken van een grens tussen mens en technologie nauwelijks mogelijk is, omdat het mens-zijn van meet af aan verweven is met de technologie. De mens is een technisch wezen. Door die verwevenheid kan de ethiek zich niet opstellen als grensbewaker die bepaalt tot hoever de techniek mag binnendringen in de sfeer van de mens. De grens van de mens is minder scherp dan algemeen gedacht. We leven in een wereld waar subjecten en objecten, dus mensen en technologieën, voortdurend met elkaar verweven zijn. We hebben daarom een amoderne ethiek nodig, een ethiek die zich niet laat vangen in het subject-objectschema.
In plaats van dit alles wenst de schrijver dus een betere ethiek, t.t.z. een ethiek die zich niet tegenover de technologie stelt, maar die de technologische ontwikkelingen zou moeten begeleiden.
Hij zegt in het boek drie stappen te zetten, waaraan hij telkens een hoofdstuk wijdt. Ten eerste nadere conceptualisering van de nieuw ontstane mens-techniekrelaties (“Mens en Techniek”); ten tweede een wijsgerig-antropologische stap: het onderzoeken wat de implicaties van deze nieuwe mens-techniekrelaties zijn voor de manier waarop we de mens moeten begrijpen, en onderzoeken welk ethisch kader ons kan helpen om op een verantwoorde manier om te gaan met de nieuwste technologieën (“Wijsgerige antropologie”); en ten derde het uitwerken hoe de ethiek haar ‘humanistische vooroordelen’ achter zich kan laten om ruimte te maken voor de morele betekenis van technologie (“Posthumanisme”); tot slot zal de schrijver dan de contouren schetsen van een kader dat de voortdurende verwevenheid van mens en technologie ethisch kan begeleiden (“Ethiek”).
In het hoofdstuk “Mens en Techniek” spreekt Verbeek onder meer van echoscopie en andere ontwikkelingen. Hij stelt dan ook dat technologie verschijnt als ‘bemiddelaar’ in de relatie tussen mens en werkelijkheid. Hij geeft twee schema’s met als eerste de mens-techniekrelaties, waar we onder meer terugvinden bril, auto, echoscopie, thermostaat, computergebruiken… Het tweede schema betreft immersie en versmeltingsrelaties met als voorbeelden slimme bedden, slimme muren, implantaten, genetische ingrepen, kunstmatig gekweekt weefsel…
Dit alles doet de grens tussen mens en technologie vervagen. Onze grenzen lijken te verdampen door de nieuwste technologische ontwikkelingen, wat door sommigen als een bedreiging wordt gezien. De relatie tussen technologische macht en menselijke autonomie wordt een obsessie van de techniekkritiek. Techniek dringt ook binnen in de menselijke moraal, denken we maar aan de echoscopie (wat te doen als een afwijking wordt vastgesteld ?), de verkeersdrempels, flitspalen, vingerafdrukken, DNA-testen, implantaties van electrodes die het gedrag en de persoonlijkheid kunnen beïnvloeden.
De schrijver geeft verder nog commentaar op de opvattingen van een tiental schrijvers en filosofen, en bespreekt onder meer de standpunten van Habermas, Sloterdijk en Foucault. De schrijver vindt dan ook dat het tijd wordt dat de ethiek zich niet langer alleen afvraagt of deze technologieën wel of niet toelaatbaar zouden zijn, maar zich ook richt op de vraag op welke manier deze technologieën een goede inbedding in de samenleving kunnen krijgen.
Verbeek haalt in het boek citaten aan van onder andere Houellebecq, Nietzsche, Habermas, Bostrom, Jos De Mul, Sloterdijk, Foucault, Brijs, krantencommentaren enz.
In het boek staan ook een tiental illustraties die enkele ‘verbeteringen’ of ‘wijzigingen’ van de mens afbeelden.
In het algemeen kunnen we zeggen dat Verbeek voorzichtig is, hij neemt een standpunt in tussen de twee uitersten, met een lichte voorkeur voor de transhumanisten. Inderdaad zegt hij dat de ethiek er zou moeten zijn om de techniek in goede banen te leiden, niet om de techniek tegen te houden. Hij beseft dat de mens en de techniek volledig verweven zijn, en dat dit in de toekomst zo zal blijven of zelfs nog zal toenemen.
Wat mijn eigen standpunt betreft: ik ben voorstander van het transhumanisme.
Inderdaad, in een wereld waar iedereen kan blijven leven met al zijn gebreken zal het hoe langer hoe meer nodig blijken om die gebreken te bestrijden en uit de wereld te helpen. Voor de genetische afwijkingen en vele zeldzame ziektes kan dat niet alleen met geneesmiddelen. Daar zal de genetische manipulatie en de nanotechnologie haar intrede moeten doen, om er voor te zorgen dat de slechte genen langzaam maar zeker uit het menselijke DNA zullen verdwijnen. Gewoon door ingrepen in de menselijke genen die een slecht gen voorgoed kunnen schrappen wat dan niet meer zal doorgegeven worden aan de toekomstige generaties.
Spijtig genoeg is er de donkere tijd geweest van het derde rijk in Duitsland, waar men dacht door kweekprogramma’s en uitroeien van ‘zieke’ mensen een herenras te kweken. Dit was niet alleen totaal verkeerd, zowel ethisch als wetenschappelijk, maar het heeft bij sommigen die weinig oordeelsvermogen hebben ertoe geleid dat de hele eugenetica in een taboe-sfeer werd geplaatst. Dit is wel het laatste wat men zou moeten doen als men de mensheid nog een mooie toekomst toewenst, een toekomst zonder ziekten, een langer jeugdig en gezond leven, en meer en betere fysische en geestelijke mogelijkheden.
|


