|
|
|
Death and the City beschrijft de levenseindezorg van chronisch zieken in Brussel. De specifieke sociaal-demografische situatie van de grootstad is cruciaal en krijgt bijgevolg veel aandacht. Dr. Cohen is medisch socioloog en doctor in de Sociale gezondheidswetenschappen. Dirk Houttekiet is licentiaat in de sociologie en doet onderzoek naar de plaats van overlijden. Prof dr. Luc Deliens is hoofd van de onderzoeksgroep ‘Zorg rond het levenseinde’ van de VUB, waaraan ook de andere twee auteurs verbonden zijn. Brussel heeft, in vergelijking met de rest van Vlaanderen twee keer zoveel armen en twee keer zoveel alleenstaanden. De bevolking is oud en zeer divers qua etnische achtergrond. Op vlak van palliatieve zorg is er vooral een intramuraal aanbod ontwikkeld. Internationaal literatuuronderzoek leert dat de uitbouw van levenseindezorg bijzonder moeilijk is in een grootstedelijke context. Het onderzoek in Death and the City brengt in kaart waar Brusselse inwoners sterven en welke factoren daartoe bijdragen, welke zorg ze krijgen aan het einde van hun leven, welke medische beslissingen genomen worden en hoe die tot stand komen. Zo vernemen we dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2003 63 procent van de chronisch zieken stierven in een ziekenhuis en slechts 15,1 procent thuis. 21,6 procent overleed in een rusthuis. De meerderheid van de terminaal zieken verkiest nochtans om thuis te sterven. Het percentage thuis stervenden bedraagt ongeveer de helft van het aantal dat in de rest van Vlaanderen thuis overlijdt. Bij 74 procent van de niet-plots overleden Brusselaars was er verplegend personeel aanwezig op het moment van overlijden. Bij minder dan de helft waren familie of vrienden aanwezig, bij 44 procent was een arts aanwezig en 7 procent stierf alleen. Wanneer de arts op de hoogte is van de plaats waar de zieke wenst te sterven, heeft de zieke beduidend meer kans dat hij ook effectief daar zal overlijden. Een apart hoofdstuk gaat over de medische beslissingen aan het levenseinde. Het aantal overlijdens waar geen medische beslissing mogelijk was, ligt in Brussel beduidend hoger dan in Vlaanderen, namelijk 41 procent. In meer dan 5 procent van de overlijdens werden middelen toegediend met de bedoeling het levenseinde te bespoedigen. In 1 procent ging het om euthanasie. Opvallend is dat in meer dan 4 procent van de gevallen de beslissing niet werd genomen op verzoek van de patiënt, en dat dit vaak gebeurt met morfine. Ook al gaat het niet om roekeloze beslissingen van artsen, toch beveelt het boek aan dat Brussel dit cijfer zou terug dringen. Ook overlijdens die voorafgegaan worden door continue diepe sedatieven zijn opmerkelijk talrijker in Brussel dan in Vlaanderen. Omdat in deze gevallen vaak geen sprake is van instemming van de patiënt, wordt hier een gelijkaardige beleidsaanbeveling gedaan. Het boek is grondig, gedetailleerd en overzichtelijk gestructureerd. Het is in hoofdzaak gericht op professionelen. Ook de leek kan het boek perfect begrijpen, maar de tekst is door de zakelijkheid, de afwezigheid van praktijkvoorbeelden en de afbeelding van vele tabellen, toch minder toegankelijk voor deze groep. De conclusies zijn wel bondig en zeer bevattelijk: in Brussel sterven veel mensen in het ziekenhuis, en vaak zijn ze niet omringd door vrienden of familie. Patiënten worden eerder weinig betrokken bij medische beslissingen die een levensverkortend effect hebben. Het cijfer over levensverkortende ingrepen zonder uitdrukkelijke wens van de patiënt is te hoog. In het laatste hoofdstuk worden de conclusies van het onderzoek nader beschouwd, in een poging er een verklaring voor te vinden, gerelateerd aan de typisch Brusselse context. Er wordt vergeleken met andere Europese grootsteden. Een belangrijke beleidsaanbeveling betreft het opstellen van concrete richtlijnen met betrekking tot sedatie. Bovendien wijzen de auteurs er tenslotte op dat Brussel in de toekomst geconfronteerd zal worden met een populatie die armer is en nog meer verscheiden op het vlak van etnisch-culturele achtergrond.
|


