|
|
|
Topsport en wetenschap: een gouden duo bevat meerdere studies besteld door het Steunpunt Cultuur, Jeugd en Sport (Vlaamse Gemeenschap, Minister Philippe Muyters) en werd uitgevoerd door meerdere universiteiten. De conclusies van deze studies zullen worden gebruikt voor het beleid in de toekomst. In het eerste hoofdstuk wordt de loopsprint geanalyseerd door middel van de 4 fasen van een sprint (acceleratie, transitie, maximale snelheid en deceleratie),er wordt zowel een vergelijking gemaakt tussen mannen en vrouwen als bij alle leeftijdscategorieën, kijkende naar pasfrequentie- en lengte. Het tweede hoofdstuk handelt over wielrennen: de aerodynamica (door middel van een windtunnel de positie op de fiets bepalen aan de hand van driedimensionale beelden), de functionele kracht (verhouding tussen trapfrequentie en maximaal vermogen) en de traptechniek (een koppelcurve maken tussen intensiteit en trapfrequentie). In het volgende hoofdstuk wordt een profiel opgemaakt van een talentvolle handballer. Jongeren tussen 12 en 17 jaar uit clubs en de topsportschool moeten een testbatterij doorlopen. Lichaamsafmetingen en fysieke tests moeten een onderscheid maken (let wel dat er al dan niet een vroegere maturiteitstatus bestaat). Over 3 jaar wordt er gekeken naar snelheid, wendbaarheid en goede aerobe-uithouding, waar de elite beter op scoren. Perceptueel-cognitieve vaardigheden worden ook gemeten, zowel spelpatronen herkennen als reactietijd. Het vierde hoofdstuk handelt over de evaluatie van de sportpsycholoog. De sportpsycholoog moet zich intern evalueren alsook door trainers. Men is voldoende tevreden over hem, voornamelijk vindt men zijn sportspecifieke kennis en sociale vaardigheden belangrijk. Men moet door de sportfederatie meer gestructureerd werken in voldoende sessies. In het volgende hoofdstuk werd een letselpreventieprogramma opgesteld, met name van de sprong-landingstechniek. Aan de hand van een onderzoek (TRIPP-framework) heeft men een JLS-systeemvragenlijst opgesteld voor trainers, die dan preventief in hun trainingen risicoatleten moeten opsporen en begeleiden. De vraag is of/ hoe we dit verplicht kunnen maken. In het zesde hoofdstuk wordt de ontwikkeling van het topsportklimaat in Vlaanderen tussen 2003 en 2007 onder de loep genomen. Trainers en atleten vinden het verbeterd, maar krijgen te weinig informatie van de clubs. Aan de hand van 9 pijlers wordt gekeken wat verbeterd/verslechterd is. De budgetten zijn gestegen, de ondersteuning is verbeterd, alsook de structuur enzovoort. Alleen de opleiding van topsportcoaches blijft in de kou, alsook de carrièreplanning van de atleet. Het laatste hoofdstuk van het boek gaat over het topsportbeleid atletiek, een vergelijking tussen Nederland en Vlaanderen. Nederland heeft driemaal zoveel budget, de structuur van Nederland is eenvoudiger (wij hebben VAL, BLOSO,VTS, 3 ministeries, loterij). Wel stegen de atletieklidmaatschappen meer in Vlaanderen en worden er meer wedstrijden georganiseerd voor talenten in scholen, ... Er is een verschillende carrièreplanning, maar in Vlaanderen minder trainersopleiding. In wetenschappelijke ondersteuning zijn we beter en in volle ontwikkeling. Topsport en wetenschap: een gouden duo bevat veel statistieken en enquêteverslagen en is dus minder toegankelijk voor het grote publiek; wel is dit voor professionele beleidsmedewerkers en trainers een goed up-to-date naslagwerk.
|


