Eicel zoekt zaadcel voor vaste relatie. Baanbrekend ivf-onderzoek aan de Vrije Universiteit Brussel

door Els Vandriessche

Titel: Eicel zoekt zaadcel voor vaste relatie. Baanbrekend ivf-onderzoek aan de Vrije Universiteit Brussel
Auteur: Prof. Dr. André Van Steirteghem
Boekinfo: https://www.borgerhoff-lamberigts.be
Verschijningsdatum: april 2024
ISBN:9789464983289
Recensent: Els Vandriessche
Beoordeling: recensie 5 sterren

Voorafgaand aan het medisch wetenschappelijk relaas met betrekking tot ivf- en icsi-behandelingen, hebben zowel de auteur zelf als Frank Vandenbroucke (Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid),  Petra De Sutter (Vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post) en tenslotte de Rector van de Vrije Universiteit Brussel Jan Danckaert in een persoonlijk voorwoord hun bewondering geuit voor de Belgische verwezenlijkingen op het vlak van reproductieve geneeskunde.
Petra De Sutter haalt er onder meer aan dat het fertiliteitscentrum in Gent eind jaren 1980 nog in zijn kinderschoenen stond in tegenstelling tot het werk aan de VUB.

Hoofdthema van het boek ‘ Eicel zoekt zaadcel voor vaste relatie  –  Baanbrekend ivf-onderzoek aan de Vrije Universiteit Brussel (223 blz.), is zoals de titel laat vermoeden de complexiteit van fertiliteit. Het boek is ingedeeld in 11 hoofdstukken, waarin de auteur Prof. Dr. André Van Steirteghem (° 1940  –  kinderarts, klinisch bioloog en onderzoeker) het afgelegde parcours op het domein van de reproductieve geneeskunde uit de doeken doet.
Doorheen zijn relaas wijst hij op zijn nauwe samenwerking met gynaecoloog Paul Devroey (° 1946). In 1979 startten ze hun loopbaan bij het UZ Brussel. Een innoverende gebeurtenis is de geboorte van de eerste ivf-baby op 24 oktober 1983, ondertussen al 46000. Nadien werden er wereldwijd nog miljoenen ivf-kinderen geboren.

Het verhaal van André Van Steirteghem binnen Brussels IVF is begonnen in 1977 na zijn terugkeer uit de Verenigde Staten waar hij drie jaar wetenschappelijk onderzoek heeft verricht in het National Institutes of Health Bethesda.
Voordien had hij reeds medische ervaring kunnen opdoen tijdens zijn burgerdienst bij een ULB-project (eind jaren 1970). Vrij snel na zijn terugkeer naar België bouwde hij een centraal RIA-labo voor o.a. hormoondoseringen uit (RIA = radio-immuno-assay). In die hoedanigheid ontmoette hij UZ-arts Paul Devroey, die als eerste interesse toonde voor serumdoseringen van oestrogenen bij patiënten met fertiliteitsproblemen.

Begin jaren 80 leggen zij aan de Vrije Universiteit Brussel de fundamenten van het inmiddels wereldbefaamde internationaal referentiecentrum Brussels IVF.
Als pioniers van het fertiliteitsonderzoek verfijnen ze gaandeweg samen met hun multidisciplinair team, de technieken voor ivf en ontdekken de methode van intracytoplasmatische sperma-injectie (icsi) waarbij één zaadcel in een eicel wordt gebracht. Icsi biedt vaak een uitweg voor ernstige mannelijke vruchtbaarheidsproblemen. Deze technologie betekende dé grote doorbraak van deze 2 Belgische pioniers en zette het centrum aan de VUB op de wereldkaart.
De diverse wetenschappelijke tussenstadia beschrijven tot de uiteindelijke ontdekking van icsi is evenwel onbegonnen werk in deze boekrecensie. Om een gedetailleerd beeld en overzicht te krijgen  omtrent deze medische vooruitgang is het lezen van het boek een absolute aanrader als ontdekkingstocht door de jaren heen.

In de context van het baanbrekend werk is het interessant PGT te vermelden. Pre-implantatie genetische diagnostiek of het genetische testen van in-vitro-embryo’s is één van de projecten die begin jaren 1980 van start gingen in nauwe samenwerking met het Centrum voor Medische Genetica (CMG).
PGT is in feite een vroege vorm van prenatale diagnose. Vanaf de jaren 1970 gebeurde de diagnose tijdens de zwangerschap via een vruchtwaterpunctie, vanaf de jaren 1980 ook via een vlokkentest; na uitgebreide ‘genetic counseling’ bij koppels met een verhoogd risico op afwijkingen bij hun nakomelingen.
Na de eerste klinische toepassingen van PGT in UZ Brussel werd de toepassing in de loop der jaren uitgebreid. Het UZ Brussel nam actief deel aan deze ontwikkelingen.

Naast de ontwikkeling van PGT is ook de cryopreservatie (invriezen – langdurig bewaren) van humane embryo’s, blastocysten en eicellen vermeldenswaard. In Brussel zag men ook snel het belang in van het invriezen van humane embryo’s. Teneinde de kans op meerlingenzwangerschappen te beperken, werd het snel duidelijk dat men bij fertiliteitsbehandeling niet meer dan 2 of 3 embryo’s mocht terugplaatsen. Indien meerdere embryo’s ontstonden, vond men het belangrijk en nuttig de boventallige embryo’s te bewaren voor later gebruik.
Vanaf 2015 werd de ‘ freeze-all policy ‘ ingevoerd : alle invriesbare embryo’s worden ingevroren zonder dat er verse embryo’s worden teruggeplaatst.
Een geschikt vriessysteem voor eicellen bleek ook belangrijk voor patiënten die eicellen willen bewaren voor een later ouderschapsproject (uitgestelde kinderwens).

De eerste icsi-baby werd in Brussel geboren op 14/01/1992. De icsi-techniek is inmiddels goed voor 70% van alle ivf-behandelingen. De pioniersrol van André Van Steirteghem en Paul Devroey ging evenwel verder dan enkel het ontwikkelen van een nieuwe technologie. Zij waren de eersten die grootschalige studies opzetten bij kinderen om de veiligheid van hun technologie te onderzoeken bij zowel icsi als pre-implantatiediagnostiek. Tevens drukten ze ook hun stempel op het beleid rond de terugbetaling van ivf-behandelingen.

Hoe gezond zijn kinderen, zowel eenlingen als meerlingen,  na geassisteerde fertilisatie (ivf en icsi)? Op deze vraag wordt in hoofdstuk 7 een antwoord gegeven. Ook de voortplantingsmogelijkheden bij icsi-jongeren krijgt de nodige aandacht. Vooral bij icsi-mannen een niet te verwaarlozen gegeven omdat mannelijke onvruchtbaarheid zou kunnen worden doorgegeven aan de volgende generatie.
Verder wordt ook stil gestaan bij de gezondheid van kinderen geboren na PGT (Pre-implantatie genetische testing), kinderen geboren na in-vitromaturatie van eicellen (IVM) en kinderen geboren na eiceldonatie.

Het Europees en Belgisch wettelijk kader met betrekking tot medisch begeleide voortplanting is het item van hoofdstuk 8.
Pas half februari 1999, ten tijde van de regering Dehaene II,  zijn de eerste Koninklijke Besluiten (KB) inzake reproductieve geneeskunde uitgevaardigd. Het KB van 4 juni 2003 bepaalt de RIZIV-terugbetalingsmodaliteiten van fertiliteitsbehandelingen.
Ook de terugbetaling van geneesmiddelen voor de gecontroleerde ovariële stimulatie werd in 2006, bij Ministerieel Besluit van 14/09/2006 en in 2008, bij KB van 6/10/2008, geregeld. Daarnaast werden er ook Europese richtlijnen uitgevaardigd.
Belangrijke wetgevende veranderingen gebeurden tijdens de regeringsperiodes onder leiding van Guy Verhofstadt (1999-2007).
Verder werkte Brussels IVF ook eigen richtlijnen uit die, indien nodig, nog steeds worden aangepast.
Voor alle Europese lidstaten geldt het verbod op handel in menselijke gameten of geslachtscellen. Ook eugenetische praktijken (= beïnvloeden van de erfelijke eigenschappen binnen een bevolking) zijn niet toegestaan.

Ongetwijfeld zijn er doorheen de jaren voor- en tegenstanders rond de kwestie van medisch begeleide voortplanting. Ethische discussies zijn er altijd geweest. Zo is ivf verboden door bepaalde geloofsovertuigingen.
Anonimiteit van donoren is momenteel voorwerp van maatschappelijke discussie. Een aantal politieke initiatieven zijn hiervan het gevolg.

Wat het onderzoek op embryo’s betreft, was België één van de laatste Europese landen die een wettelijke regeling uitvaardigde. Dat kan onder meer verklaard worden door het politieke Belgische landschap.
De eerste wetsvoorstellen werden ingediend vanaf 1997. Opvallend is dat de embryowet nauwelijks sancties en boetes voorziet voor overtredingen : ‘ Wat niet verboden is, is toegelaten ‘.
Het onderzoek op embryo’s wordt in België bij wet beperkt door een aantal algemeen aanvaarde bepalingen. Drie specifieke handelingen zijn verboden:  reproductief menselijke klonen, geslachtskeuze om niet-medische redenen en onderzoek of daden gericht op een eugenetisch doel (eugenetica = de selectie of de verbetering van niet-pathologische kenmerken van de menselijke soort). Verder is het aanmaken van embryo’s voor onderzoeksdoeleinden wettelijk verboden, behalve indien het doel van het onderzoek niet kan worden bereikt door onderzoek op overtallige embryo’s en voor zover voldaan is aan de wettelijke voorwaarden.

In het onderzoekslabo van de VUB werd in eerste instantie vooral onderzoek uitgevoerd op muizenembryo’s. Met goedkeuring van de betrokken patiënten werden later menselijke ivf-embryo’s die niet geschikt waren voor terugplaatsing, gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek.

De verscheidenheid qua wetgeving in Europese landen illustreert de meningsverschillen over de morele status van een embryo. Embryo-onderzoek is in veel landen onder strikte voorwaarden toegelaten.
Drie categorieën embryo’s worden voor onderzoek gebruikt:

  • verse overtallige embryo’s: ongeschikt voor terugplaatsing in de baarmoeder of invriezing,
  • ingevroren overtallige embryo’s: bewaard met het oog op een eventuele latere terugplaatsing maar toch niet gebruikt wegens vervulde of opgegeven kinderwens bij de patiënt en
  • verse embryo’s: nooit deel uitgemaakt van een ouderschapsproject.

Op Europees niveau wordt embryo-onderzoek geregeld door het verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde. Volgens dit verdrag is het verboden menselijke embryo’s aan te maken voor onderzoeksdoeleinden, en in landen waar embryo-onderzoek is toegelaten, moet de wet het embryo voldoende bescherming bieden.
België heeft het verdrag niet ondertekend en dus ook niet geratificeerd.
In ons land is de aanmaak van embryo’s voor onderzoek immers wettelijk toegelaten (cf. Zweden, Verenigd Koninkrijk). De Belgische wet (2003) inzake het onderzoek op embryo’s in vitro staat alle onderzoek toe zolang het een therapeutisch doel heeft. Het onderzoek naar kiembaanceltherapie, embryonale stamcellen en therapeutisch klonen voldoet aan die voorwaarde en wordt bijgevolg toegelaten.
Indien dit onderzoek niet kan gebeuren op overtallige embryo’s, mogen embryo’s specifiek voor onderzoek aangemaakt worden. Onderzoeksprojecten die gebruik maken van menselijke embryo’s worden eerst ter goedkeuring voorgelegd aan het plaatselijk ethisch comité van de universitaire instelling waar het onderzoek zal plaatsvinden. Na goedkeuring wordt het project vervolgens ter evaluatie en goedkeuring overgemaakt aan de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo’s in vitro (FCE).
Prof. Dr. André Van Steirteghem was voorzitter van dit controleorgaan van bij de installatie in juni 2006 tot december 2017.

De bewaring en de bestemming van embryo’s die overblijven na een ivf-behandeling en die niet worden teruggeplaatst in de baarmoeder, wordt geregeld door de wet op de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van overtallige embryo’s en gameten van 2007.
Alle onderzoeksvoorstellen die bij de federale commissie werden ingediend, werden bestudeerd met het oog op gegevensverzameling. De meeste onderzoeksprojecten die door de federale commissie werden beoordeeld, werden goedgekeurd.
Met uitzondering van de regel dat eerst overtallige embryo’s moeten worden gebruikt, legt de wet geen beperkingen op over de wijze waarop wetenschappelijk onderzoek moet worden verricht.

Brussels IVF was na de geboorte van hun eerste  ivf-baby in 1983 actief op congressen in binnen- en buitenland.
Naar analogie van Amerika werd in Europa in 1985 de wetenschappelijke vereniging ESHRE (European Society of Human Reproduction and Embryology) opgericht als informatieforum voor nieuwe wetenschappelijke bevindingen in het vakgebied reproductie. Later is hieruit het medisch tijdschrift Human Reproduction ontstaan. Belgisch gynaecoloog Paul Devroey was vanaf het begin betrokken bij deze organisatie en is er actief gebleven tot zijn emiraat in 2011.
Van 2013 tot eind 2021 was André Van Steirteghem voorzitter van het  adviserend orgaan VCWI, Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit (opgericht dd. 7/10/2013).

De epiloog van fertiliteitsarts Herman Tournaye (gewezen diensthoofd Brussels IVF) bevat onder meer een summiere samenvatting van de inhoud van het boek: de geschiedenis van het baanbrekend werk van André van Steirteghem en Paul Devroey van de IVF-Brussels van de jaren 80 tot op heden. Beiden zijn toonaangevende experten in de reproductieve geneeskunde, zowel nationaal als internationaal. Niet in het minst door de introductie van nieuwe technieken: de klassieke ivf, icsi, de PGT en de vitrificatie (= een invriestechniek waardoor zowel eicellen als embryo’s succesvol ingevroren kunnen worden, met slaagkansen vergelijkbaar met die van verse eicellen).

De hedendaagse technologieën focussen zich steeds meer op preventie in vergelijking met de beginjaren, dit brengt eigentijdse uitdagingen met zich mee. Verder wordt er ook gewezen op maatschappelijke evoluties die de benadering van reproductieve geneeskunde beïnvloeden. Denk maar aan nieuwe gezinsconstructies (nieuw samengestelde gezinnen), kinderwens op latere leeftijd, draagmoederschap en ouderschap door transpersonen, …

Dit boekproject kreeg vorm vanaf 2020. Het is een voor de lezer begrijpelijke wetenschappelijke beschrijving van de medische doorbraken en evoluties in de reproductieve geneeskunde van de laatste decennia in het Brussels IVF; zowel bedoeld voor beleidsmakers, studenten als andere geïnteresseerden; vanuit een vrijzinnige humanistisch benadering waarin de mens centraal staat.

Gepubliceerd op 18-11-2025

Bekijk ook even dit:

Je winkelmand is leeg.