Mee met het idee. Het maakbare embryo

In deze maandelijkse column ‘Mee met het idee’ gaan verschillende deskundigen dieper in op een zelfgekozen onderwerp dat past binnen de thema’s van De Maakbare Mens. De auteur krijgt de ruimte om een gedachte of probleem uit te werken en daagt ook jou uit: ben jij mee met het idee?

Deze column is verschenen in de nieuwsbrief van 25 januari 2018.

door Professor Heidi Mertes,  voorzitter van de Maakbare Mens, ethicus aan de Universiteit Gent en mede-oprichter van het Bioethics Institute Gent.

Ceci n’est pas un embryon

2017 was alweer een jaar gevuld met doorbraken in de biomedische wereld. Een krantenkop waar ik graag nog even op terugblik, is: Wetenschappers creëren voor het eerst kunstmatig ‘embryo’.

De aanhalingstekens rond ‘embryo’ stonden er niet zomaar. Ze stonden er omdat men niet gezegd wil hebben dat het een embryo is maar wel dat het er verdacht veel op lijkt. Het doel is immers om de ontwikkeling van een embryo te bestuderen zonder de ethische beladenheid van embryo-onderzoek. Het belang van semantiek is hier dus niet te onderschatten. Maar is die semantiek grondig onderbouwd?

Biologisch is het verschil tussen een embryo en een ‘embryo’ zeer klein. Enkel de cellen die de vruchtzak moeten vormen, ontbreken. Wettelijk is het verschil gigantisch: embryo-onderzoek is veel strikter gereglementeerd dan onderzoek op andere menselijke weefsels, het kunstmatige ‘embryo’ mag men bij voorbeeld langer dan 14 dagen laten groeien in het labo, een ‘echt’ embryo niet.

Ethisch is het cruciale onderscheid dat embryo’s kunnen uitgroeien tot mensen.

Tussen biologie en wet schuilt de ethiek: ethisch is het cruciale onderscheid dat embryo’s kunnen uitgroeien tot mensen.  ‘Embryoids’ of ‘SHEEFS’ (synthetic human entities with embryo-like features, zoals de onderzoekers ze het liefst noemen) kunnen dat niet. Ze worden niet beschouwd als mini-mensjes maar als weefsels zonder meer. Nu mag dat klinken als een duidelijk biologisch onderscheid, er zijn toch enkele kanttekeningen bij te maken.

Wat als SHEEFS met een beetje hulp (door bij voorbeeld de benodigde cellen om de vruchtzak te maken toe te voegen) toch kunnen uitgroeien tot een mens? En wat met natuurlijk gevormde embryo’s die – bij voorbeeld door een niet-levensvatbare genetische mutatie – nooit zullen uitgroeien tot een mens? Zijn dat dan ook geen embryo’s meer en zou het onderzoek hierop dan ook buiten de strikte regulering moeten vallen?

Bovendien: als we echt denken dat een embryo vanaf 14 dagen bepaalde eigenschappen krijgt die het onderzoek erop onethisch maken, geldt dat dan ook niet voor de kunstmatige variant? Het lijkt me weinig waarschijnlijk dat die eigenschappen in de cellen van de vruchtzak zouden schuilen…

Het lijkt er sterk op dat men het ethische debat wil omzeilen door een semantisch trucje toe te passen.

Het lijkt er sterk op dat men het ethische debat wil omzeilen door een semantisch trucje toe te passen. Misschien wel terecht, omdat we inderdaad niet wakker hoeven te liggen van het lot van SHEEFS. Zelfs niet als we ze 20, in plaats van 14 dagen laten groeien. Het label ‘embryo’ roept automatisch een emotionele respons op die hier weinig gegrond zou zijn en die we dus beter vermijden.

Toch lijkt het intellectueel eerlijker om een grondig debat te voeren: als de emotionele respons die embryo’s oproepen hier niet gegrond is, is ze dat bij ‘echte’ embryo’s dan wel? En als we niet-emotionele argumenten hebben om bepaalde types embryo-onderzoek niet toe te laten, gelden die dan ook voor embryo-achtige entiteiten?

Het schaden van een mogelijk mens

De gevoeligheid van embryo-onderzoek schuilt erin dat we een embryo moeilijk kunnen loskoppelen van een mens. De persoon waarin een embryo in de toekomst uitgroeit, kan inderdaad geschaad worden door onderzoek dat op een embryo is uitgevoerd. Vandaar dat we bij voorbeeld zeer zorgvuldig moeten omspringen met de genetische ‘correctie’ van embryo’s (ook in het nieuws in 2017).

Maar als het embryo in het onderzoek vernietigd wordt, nog voordat er ook maar de kleinste vonk van bewustzijn aanwezig is, wordt er geen toekomstige persoon geschaad. Toch beelden we ons in dat we een virtuele persoon schaden door hem of haar niet geboren te laten worden.

Dit kan gegrond zijn in het eeuwenoude idee dat er van bij de conceptie een ‘ziel’ aanwezig is in menselijk leven. Al dan niet vermomd in seculiere termen als DNA of genetische blauwdruk: een unieke persoon die we verloren laten gaan.

Soms is een embryo inderdaad onvervangbaar, bij voorbeeld wanneer het het enige overblijvende embryo is dat de genetische combinatie meedraagt van twee mensen die ervan dromen om een genetisch eigen kind te krijgen via IVF.

Buiten de context van een kinderwens heeft het echter weinig zin om te rouwen om het niet geboren worden van (een persoon met) een specifieke genetische combinatie, enkel en alleen omdat die genetische combinatie toevallig al gevormd was (in tegenstelling tot het oneindig aantal combinaties die nog niet gevormd zijn).

Dus vraag ik me af: is de ethische kloof tussen embryo’s die wel of niet kunnen uitgroeien tot een mens echt zo groot? Is het werkelijk zinvol om een pseudo-embryo te maken in het labo in plaats van onderzoek uit te voeren op echte embryo’s? Of winnen we hier op ethisch vlak weinig bij, terwijl we inboeten aan efficiëntie en representativiteit?

Want het beste model om de embryonale ontwikkeling te bestuderen is nog steeds… een embryo.

Gepubliceerd op 25-01-2018

Bekijk ook even dit:

?php the_field('gerelateerdbericht_titel2'); ?>

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Mee met het idee: het overzicht

Mee met het idee: het overzicht

Je winkelmand is leeg.