Mee met het idee | Anonieme donatie

In deze maandelijkse column ‘Mee met het idee’ gaan verschillende deskundigen dieper in op een onderwerp dat past binnen de thema’s van De Maakbare Mens. De gasten benaderen een gedachte of probleem elk vanuit hun eigen expertise. Misschien zetten ze ook jou aan het denken: ben jij mee met het idee?

Deze Mee met het idee verscheen in de nieuwsbrief van januari 2024.

Moet anonieme zaad- of eiceldonatie mogelijk blijven?

Momenteel is anonieme donatie nog steeds het uitgangspunt van de wet op medisch begeleide voortplanting. Hoe houdbaar is het principe en met welke belangen moeten we rekening houden? Veerle Provoost (UGent & De Maakbare Mens) en Ankie Vandekerckhove (Afstammingscentrum) geven de belangrijkste aandachtspunten weer.


Veerle Provoost, UGent & De Maakbare Mens

Een flexibel systeem geeft donoren de tijd om zich te informeren zonder hen te dwingen. Het erkent donoren als mensen, eerder dan louter leveranciers van een middel. Het geeft donorkinderen geen garantie maar wel een kans op een (positievere) ontmoeting met een donor die daar klaar voor is.

Er zijn weinig levensdomeinen zo intiem en persoonlijk als die van de voortplanting en het gezinsleven. Bij uitstek daar hechten we veel belang aan vrijheid en zelfbeschikking. Tenzij om aantoonbaar ernstige schade te voorkomen, mengt de overheid zich beter niet in de manier waarop we ons gezin vormgeven.

Laat ons eerst kijken naar het huidige systeem. Onze wetgeving stamt uit een tijd waarin beleidsmensen en professionelen meenden dat het beter was voor het welzijn van het kind om het niet te informeren over de donatie, laat staan over de identiteit van de donor. Vandaar het verbod op identificeerbare donoren. Wetenschappelijk onderzoek toont echter niet aan dat geheimhouding en anonimiteit beter zijn voor het welzijn van het kind dan openheid. Het verder inperken van die vrije keuze voor een identificeerbare donor is dus niet verdedigbaar.

De vraag die we hier onderzoeken, is of de zelfbeschikking van wensouders en donoren ingeperkt moet worden in de andere richting. Moet de deur naar anonieme donatie dicht? Als we willen vermijden dat we dezelfde fout maken en van het ene paternalistische systeem (“een kind krijgen met een identificeerbare donor is verboden”) in het andere (“een kind krijgen met een anonieme donor is verboden”) overgaan, moeten we ook hier nagaan of daar voldoende grond voor is.

Meerdere donorkinderen worstelen met het ontbreken van informatie over hun donor. Zij brengen getuigenissen die we moeten erkennen en waarvan we kunnen leren. De vraag is echter tweeërlei: 1) is dit leed effectief (mee) veroorzaakt door de anonimiteit van de donor, en 2) is het van die orde dat het een voldoende grond vormt voor een inperking van vrijheden van ouders en donoren? Ondanks de individuele ervaringen, toont de wetenschappelijke literatuur aan dat vooral de kwaliteit van de gezinsrelaties belangrijk is voor het welzijn en de identiteitsvorming van kinderen, eerder dan het type gezin of het al dan niet opgroeien bij twee ouders waaraan ze genetisch verwant zijn.
Desondanks zou je kunnen argumenteren dat elk potentieel individueel leed voorkomen moet worden, maar dat lijkt niet redelijk: we verbieden mensen ook niet om met de wagen te rijden hoewel we daarmee veel leed zouden voorkomen.

Naast het argument van mogelijke schade, wordt in dit debat verwezen naar rechten. Artikel 7 van het Verdrag van de Rechten van het Kind (gericht op het bestrijden van kinderontvoeringen) heeft het over het recht van een kind om “zijn of haar ouders te kennen, en door hen te worden verzorgd.” Dit vormt om meerdere redenen een problematische grond. Ten eerste plakken we gametendonoren daarmee het label ‘ouder’ op (en ondergraven we de legitimiteit van het ouderschap van de niet-genetische ouder) terwijl gametendonatie net vertrekt van het idee dat donoren geen ouders zijn. Bovendien pleit men hier voor een selectieve toepassing van dit recht waarbij slechts het recht om ouders (hier bedoelt men dan de donoren) te kennen wordt gehonoreerd maar niet het recht om door hen te worden verzorgd.

Deze rechten bieden ook geen oplossing voor een botsing tussen belangen (of zelfs rechten) van ouders, donoren en kinderen. Voorstanders van een verbod op anonieme donatie vinden vaak dat de donor een vraag van het donorkind tot het delen van zeer persoonlijke informatie niet mag weigeren, zelfs niet wanneer dit kan leiden tot onverwacht/ongewenst contact met (het gezin van) de donor. Zij geven daarin absolute voorrang aan de belangen van de donorkinderen. Hoezeer we die belangen ook moeten meewegen, een dergelijke houding gaat voorbij aan bijvoorbeeld de wens van een eiceldonor om anoniem te blijven wanneer zij meent dat ze zo het welzijn van haar kinderen, haar partner, zichzelf (en mogelijk ook het donorkind) kan beschermen. Dat men in deze context zo ver zou mogen gaan dat een donor geen recht meer heeft op privacy en bescherming van het gezinsleven, is moeilijk te verantwoorden. Vinden we het dan nog moreel verantwoord donoren te vragen in een systeem te stappen dat zo duidelijk hun belangen van tafel veegt? Daarnaast lijken de belangen van donorkinderen meer gediend te worden met het voorzien van goede informatie en begeleidingsmogelijkheden aan ouders, donoren en donorkinderen dan met een enge focus op uitwisseling van informatie en/of contact.

Een recent advies van het Raadgevend Comité voorziet terecht in de mogelijkheid voor donoren en donorkinderen om elkaar te vinden wanneer zij dat allebei wensen. Het erkent de vrijheden van de betrokkenen en maakt ruimte voor mensen die in de loop der tijd van mening veranderen. Een flexibel systeem geeft donoren de tijd om zich te informeren zonder hen te dwingen. Het erkent donoren als mensen, eerder dan louter leveranciers van een middel. Het geeft donorkinderen geen garantie maar wel een kans op een (positievere) ontmoeting met een donor die daar klaar voor is.

In dit debat lijken de belangen van de betrokkenen diametraal tegenover elkaar te staan. Ze zijn echter onderling verweven. Donoren kunnen bijvoorbeeld beslissen om in de schaduw te blijven uit bezorgdheid de verwachtingen van een donorkind niet te kunnen inlossen. Wensouders blijken dan weer vaak bezorgd over een mogelijke ontwrichting van hun gezin wanneer de donor opduikt. Die ouders zijn naast hun eigen welzijn vaak in de eerste plaats bekommerd om het welzijn van hun kind.

In onze samenleving krijgen ouders het mandaat én het vertrouwen om keuzes te maken voor hun kinderen, bijvoorbeeld op vlak van onderwijs. We weten dat het welzijn van kinderen beter is in gezinnen waar de kwaliteit van de relaties tussen de leden onderling voldoende goed is. Ouders in een systeem dwingen dat ze niet wensen, riskeert gezinsrelaties onder spanning te zetten en brengt daarmee onrechtstreeks het welzijn van de kinderen mee in gevaar.

Laat ons daarom inzetten op 1) gedegen informatie en begeleiding voor wensouders en donoren zodat zij goed onderbouwde keuzes kunnen maken, 2) op begeleiding voor wie daar na de donatie nood aan heeft, inclusief uiteraard de donorkinderen en 3) op bemiddelende instanties die een eventueel contact tussen de betrokkenen in goede banen kunnen leiden. Maar laten we ons tegelijk behoeden voor inperkingen van fundamentele vrijheden. Tenslotte hoop ik dat we in dit debat bereid blijven om onderzoekend in te gaan op de uiteenlopende visies, wetende dat wie pleit voor een systeem dat vrijheden inperkt of mensen dwingt informatie te delen hiervoor de bewijslast draagt.

Ankie Vandekerckhove, Afstammingscentrum

De opheffing van de anonimiteit en een duidelijke bepaling in de wet van het recht op afstammingsinformatie blijft zeker nodig. De rechten van donorkinderen moeten ook in de praktijk voldoende bescherming krijgen. Ook een gedegen begeleiding is hier geen overbodige luxe.

Donor’kinderen’ die het ontbrekende stuk van hun identiteit willen opsporen door het vinden van hun donor, kunnen bij het Afstammingscentrum terecht. En neen, dit is niet omdat het thuis niet zo goed loopt of omdat ze een nieuwe papa zoeken. En ja, ook donorkinderen weten heus wel dat hun persoonlijkheid door veel meer dan enkel de genen gevormd wordt. Het gaat hier om een existentiële vraag, die maatschappelijk nog niet voldoende erkend, soms zelfs weggelachen, wordt. Waar voor alles en iedereen genetica belangrijk is en steeds belangrijker wordt, lijkt dat uitgerekend voor donorkinderen niet zo te zijn. Raar toch? Het Afstammingscentrum vertrekt vanuit het fundamentele recht op kennis van de eigen afstamming en ontstaansgeschiedenis en bepleit dus ondubbelzinnig de opheffing van de donoranonimiteit. De meer dan voldoende argumenten voor dit standpunt zijn psychologisch, juridisch en praktisch van aard. (Zie hiervoor ook ons standpunt.)

Voor donorkinderen (en ook soms wensouders en donoren) is het duidelijk hoe belangrijk de zoektocht naar hun donor kan zijn. Narratieven online, documentaires, berichten van belangengroepen illustreren hoe groot de nood voor sommigen kan zijn om informatie te krijgen over hun donor. De vragen variëren van een sluimerende vraag tot een verterende nood, van een vraag voor alle identificerende info of slechts enkele kenmerken van de donor en al dan niet met een wens op een persoonlijk contact, ooit. Niet alle donorkinderen uiten dergelijke vragen. Sommigen hebben daar geen, of minder nood aan, anderen zijn erg loyaal naar hun ouders. Hoe dan ook, een behoorlijk deel van de donorkinderen heeft op een bepaald moment in het leven vragen over de conceptie en de donor. Ze willen dit stuk in de puzzel ingevuld zien en het uitblijven van deze informatie kan zwaar leed en psychologische problemen veroorzaken. Met het Afstammingscentrum heeft de Vlaamse overheid alvast tegemoet willen komen aan deze reële en existentiële nood.

Juridisch is de kwestie intussen relatief eenvoudig: ieder heeft het recht te weten van wie men afstamt. Dit recht ligt vervat in diverse verdragen, wordt bepleit in resoluties, wordt steeds genuanceerder beschreven in de rechtsleer en wordt bevestigd in rechtspraak, nationaal en internationaal. Ook in België maken sommige rechters de afweging en laten de rechten van donorkinderen primeren op het anonimiteitsprincipe. In juni 2023 oordeelde een Brugse rechter bv. dat de belangen van het donorkind, en het leed dat ze ondergaat door het niet-weten, doorweegt op de mogelijke, minimale, nadelen van de donor bij louter vrijgave van zijn gegevens (zonder enige andere juridische aanspraken van eiseres). Kinder- en mensenrechten, rechten van de ander, stellen wel degelijk grenzen aan de reproductieve autonomie van vrouwen/wensouders. Niet alles wat technisch mogelijk is moet zomaar kunnen zonder rekening te houden met de grondrechten van de te maken personen. In tegenstelling tot wat vaak vermeend wordt, bestaat er trouwens geen recht OP een kind.

Op instrumenteel vlak tenslotte, is het vasthouden aan anoniem donorschap intussen even zinvol als het ontkennen van het zonlicht. Door de enorme toename aan zoeksystemen (bv. via commerciële DNA-databanken) en door de zich wijzigende regelgeving in de ons omringende landen, wordt anonimiteit iets van het verleden. De opheffing van de anonimiteit en een duidelijke bepaling in de wet van het recht op afstammingsinformatie blijft zeker nodig. De rechten van donorkinderen moeten nl. ook in de praktijk voldoende bescherming krijgen. Ook een gedegen begeleiding is hier geen overbodige luxe, gezien dit allemaal een emotioneel complex proces is. Als de wetgever donorconceptie ondersteunt, draagt die ook de verantwoordelijkheid om een passend kader te voorzien voor de gevolgen ervan.  

Het debat over donoranonimiteit wordt vaak ook gekleurd door stellingen die de essentie van de vraag niet raken en zo de aandacht van de fundamentele vragen afleiden.  Zo wordt bv. gesteld dat liefde, ondersteuning, warmte e.d. veel meer bepalen van wat kwaliteitsvol familieleven is, eerder dan ‘louter’ de genen. Dit is volledig naast de kwestie: het gaat hier niet om de beoordeling van het gezinsleven.  De meeste donorkinderen zijn ook niet eens op zoek naar een nieuwe familie of ontevreden over hun eigen gezin. Hun zoektocht heeft te maken met het vervolledigen van hun eigen identiteit, niet met de vraag wat nu de essentie van een gezin is. Door deze punten onterecht aan elkaar te linken, draagt men enkel nog bij aan de schuldgevoelens en loyaliteitsconflicten die bij veel donorkinderen sowieso al leven ten aanzien van hun ouders. Donorkinderen beseffen daarnaast ook wel dat genen alleen niet allesbepalend zijn. Vaak hebben ze een meer genuanceerde visie op het samenspel van nature en nurture in hun ontwikkeling, net omdat deze bij hun genese en geboorte gescheiden werden. De sterke loyaliteitsgevoelens bij veel donorkinderen ten aanzien van hun (niet-biologische) ouders geven dit ook wel aan.
Het is trouwens toch bijzonder: door de donor per se anoniem en buiten beeld te willen houden, geeft men toch juist blijk van een (te?) groot belang voor die genen? Waarom moeten die anders uit alle macht verborgen blijven? Donoranonimiteit voedt dus precies de angst voor (het belang van) de onbekende donor. Door die uit de schaduw te halen en als persoon te erkennen, kan er tenminste – ook door de wensouders – een genuanceerd beeld opgebouwd over nature vs. nurture.

Doen alsof genen niet van tel zijn is dus pertinent onjuist, problematiseert afstammingsvragen van donorkinderen, en bestendigt net eventuele angsten van wensouders over het vermeende belang van die onbekende persoon die hun ouderschap mogelijk maakte.

Gepubliceerd op 17-01-2024

Bekijk ook even dit:

Je winkelmand is leeg.