In deze maandelijkse column ‘Mee met het idee’ gaan verschillende deskundigen dieper in op een onderwerp dat past binnen de thema’s van De Maakbare Mens. De gasten benaderen een gedachte of probleem elk vanuit hun eigen expertise. Misschien zetten ze ook jou aan het denken: ben jij mee met het idee?
Deze Mee met het idee verscheen in de nieuwsbrief van juni 2026.
Een term als “eiceldonatie” legt de klemtoon op het schenken, onbezoldigd en zonder reserve. Taal is hoe dan ook zelden neutraal. Toch zou een veelzijdiger begrippenkader ons aardig vooruit helpen.
Lara Jacxsens neemt je mee met het idee.

In de fertiliteitszorg is taal geen neutrale beschrijving van de werkelijkheid, maar de beitel die haar vormgeeft.
In een notendop
“Eiceldonatie” is geen neutrale term. Het woord legt de klemtoon bijna uitsluitend op altruïsme en de gift, terwijl de situatie in realiteit vaak genuanceerder is. Eicelverstrekking is in die zin correcter.
Als we vasthouden aan donatie, wordt ook onze (maatschappelijke) kijk erop bepaald. Vrouwen die eicellen verschaffen, maar dat niet doen vanuit grenzeloze menslievendheid of vrouwen die in het hele proces ook pijn en twijfel ervaren, kunnen dan moeilijker een taal vinden.
Uiteraard is altruïsme voor veel vrouwen en situaties wel de passende term, maar niet altijd. Zowel fertiliteitscentra als officiële infokanalen zouden hun taal kunnen aanpassen zodat de veelzijdige realiteit volledig tot haar recht komt.
“What’s in a name?” vroeg Shakespeare zich af. Een roos blijft even zoet ruiken, welke naam we haar ook geven, maar in de context van fertiliteitszorg blijkt die gedachte verrassend wankel. Daar is taal geen neutrale beschrijving van de werkelijkheid, maar de beitel die haar vormgeeft. Onderzoek toont aan dat hoe eiceldonatie of -verstrekking gepresenteerd wordt een directe invloed heeft op de bereidheid van vrouwen[1] om deel te nemen. Taal beschrijft dus niet alleen de werkelijkheid, maar geeft haar ook vorm. Om deze vormgeving zo open mogelijk te houden begint de academische wereld te verkiezen om de term “eicelverstrekking” (een ietwat geforceerde vertaling van “egg provision”) te gebruiken.
Wie “eiceldonatie” gebruikt, stapt namelijk ongemerkt een ideologisch verhaal binnen. Het woord “donatie” impliceert een onbaatzuchtig geschenk, geworteld in een wens om een ander te helpen. Feministische academici benadrukken hoe het altruïstische verhaal verre van genderneutraal is. Waar mannen bij spermaverstrekking marge krijgen om openlijk financieel gemotiveerd te zijn, wordt van eicelverstrekkers verwacht dat zij enkel handelen vanuit vrijgevigheid, vrouwelijke solidariteit, en emotionele voldaanheid. Deze verwachtingen reflecteren algemenere culturele patronen waarin de vrouw gezien wordt als de zorgdrager; moreel verantwoordelijk om anderen te helpen, waarbij ze bereid is haar tijd en lichaam op te offeren. Tegelijkertijd fungeert de term “donatie” ook als een eufemisme dat de economische dimensie van een wereldwijde, winstgevende fertiliteitsindustrie maskeert. Achter de romantiek van het “doneren” of “schenken” schuilt een weerbarstige realiteit van hormooninjecties, fysieke arbeid en winst.
Als de norm van zelfopoffering domineert, wegen toekomstige eicelverstrekkers de fysieke risico’s en lasten mogelijk minder kritisch af.
De taal van altruïsme bepaalt dus niet alleen hoe eicelverstrekking wordt begrepen, maar ook wat er van eicelverstrekkers wordt verwacht en onder welke voorwaarden zij instemmen. Wanneer vrouwen dit altruïstische kader internaliseren, dreigt de geïnformeerde toestemming te wankelen. Als de norm van zelfopoffering domineert, wegen toekomstige eicelverstrekkers de fysieke risico’s en lasten mogelijk minder kritisch af. De keuze wordt dan niet gevormd door een neutraal begrip van de praktijk, maar door geïnternaliseerde morele druk.
Wie vandaag informatie zoekt over eicelverstrekking, begint meestal online: bij officiële informatieplatforms of bij peers op sociale media. Websites van fertiliteitsklinieken en blogs van eicelverstrekkers lijken op het eerste gezicht verschillend, maar gebruiken opvallend vaak dezelfde altruïstische taal. Klinieken beschrijven de “ideale donor” als zorgzaam, meelevend en onbaatzuchtig. Bloggers verwoorden hun ervaringen vaak in gelijkaardige termen : helpen, geven en pijn doorstaan voor een ander.
Om deze online echo’s te begrijpen, is het concept “hermeneutisch onrecht” van Miranda Fricker verhelderend. Dit verwijst naar situaties waarin mensen hun ervaringen moeilijk kunnen begrijpen of uitdrukken, omdat de beschikbare taal en denkkaders vooral gevormd zijn door dominante groepen. Daardoor ontstaat er een blinde vlek in wat we als samenleving kunnen begrijpen: voor sommige ervaringen ontbreken de woorden en kaders, waardoor ze onderbelicht of zelfs onuitspreekbaar blijven. Dit onrecht treft vooral gemarginaliseerde groepen, die minder invloed hebben op hoe betekenissen worden gevormd, terwijl dominante groepen net de macht hebben om te bepalen welke ervaringen zichtbaar, benoembaar en legitiem zijn.
Wanneer de beschikbare taal hoofdzakelijk vrijgevigheid en zelfopoffering viert, blijft er weinig ruimte over om gevoelens van twijfel, ongemak of schade te benoemen.
Ik stel dat eicelverstrekkers met zo’n onrecht te maken krijgen, omdat het altruïstische narratief sterk wordt gestuurd door fertiliteitsklinieken en officiële instanties. Vanaf de eerste online informatievoorziening tot aan de consultaties met psychologen en medisch personeel wordt eicelverstrekking consistent gekaderd als een gulle, altruïstische daad. Wanneer de beschikbare taal hoofdzakelijk vrijgevigheid en zelfopoffering viert, blijft er weinig ruimte over om gevoelens van twijfel, ongemak of schade te benoemen. Het gevolg is dat eicelverstrekkers hun ervaringen vaak vormgeven binnen dit dominante kader, simpelweg omdat er nauwelijks andere woorden voorhanden zijn.
Toch zijn eicelverstrekkers geen passieve figuranten. In blogs verschijnen soms barsten in het beeld van de “perfecte donor”: naast altruïsme lijkt er af en toe ook ruimte te zijn voor verhalen over pijn, twijfel, gevoelens van uitbuiting en teleurstelling. Zelfs wanneer deze verhalen binnen een altruïstisch kader blijven, tonen ze de keerzijde van het proces en brengen ze ervaringen naar voren die in het dominante verhaal vaak ontbreken. Zo creëren deze bloggers nieuwe denkkaders en taalkundig gereedschap om eicelverstrekking te begrijpen. Dat blogs kritische reflecties delen met behulp van altruïstische taal lijkt misschien tegenstrijdig, maar het toont juist hoe hardnekkig het dominante kader is. Als er geen alternatief vocabulaire voorhanden is, moet kritiek noodgedwongen van binnenuit geformuleerd worden, met de bestaande taal.
Als er geen alternatief vocabulaire voorhanden is, moet kritiek noodgedwongen van binnenuit geformuleerd worden, met de bestaande taal.
Opvallend is dat blogs nog een andere barst in de informatievoorziening blootleggen: ze signaleren een duidelijke behoefte aan meer concrete, ervaringsgerichte en praktische informatie over het traject zelf. Klinieken daarentegen richten zich vooral op medische en eerder abstracte aspecten. Dit sluit aan bij de bredere feministische kritiek dat het medische discours vaak meer belang hecht aan klinische risico’s dan aan de geleefde ervaringen van vrouwen.
Hoewel eicelverstrekkers in hun blogs ruimte maken voor nieuwe inzichten, sijpelen zulke perspectieven zelden door naar de officiële communicatie van klinieken. Daardoor blijft de informatievoorziening rond eicelverstrekking onvoldoende afgestemd op de geleefde realiteit van eicelverstrekkers, zowel op ervaringsvlak als in praktische zin. Zo is er dus weinig aandacht voor hun gevoelens, twijfels en ambivalente ervaringen, én er ontbreekt concrete, praktische informatie over het traject zelf; van de dagelijkse realiteit van injecties en bijwerkingen zoals een opgeblazen gevoel (en wat dat betekent voor kleding en comfort), tot de impact op hobby’s, werk en gezinsleven.
Moeten we altruïsme dan overboord gooien? Absoluut niet. Voor velen is het een gepast verhaal – maar het mag niet het enige verhaal zijn. We hebben nood aan een caleidoscopisch perspectief: een veelheid aan stemmen en betekenissen die naast elkaar mogen bestaan.
Ten eerste zouden fertiliteitsklinieken de interpretatiekaders en de taal die ze gebruiken moeten verbreden. Alternatieve waarden zijn te vinden in de literatuur, zoals het denken in termen van solidariteit, wederkerigheid of “klinische arbeid”, waarbij eicelverstrekking erkend wordt als lichamelijk werk dat bescherming en gepaste compensatie verdient. Dit sluit beter aan bij de ervaringen van eicelverstrekkers en zo kan de druk verminderen om te voldoen aan het ideaal van de “altruïstische donor”. Dat maakt het makkelijker om ook twijfel, voordelen of mogelijke spijt te bespreken. In een context met zulke ethische complexiteit is het dan ook essentieel dat ook negatieve ervaringen en aspecten benoemd en erkend kunnen worden.
Ten tweede zou de informatievoorziening samen met eicelverstrekkers moeten worden ontwikkeld. Een mogelijke piste is een onafhankelijk informatieplatform, gedragen door eicelverstrekkers en ondersteund door publieke gezondheidsorganisaties, in samenwerking met andere professionals. Zo’n platform kan heldere, toegankelijke en medisch correcte informatie bieden, terwijl het tegelijk de geleefde ervaringen en prioriteiten van eicelverstrekkers versterkt. Het kan ook het spectrum aan verhalen verbreden en zo bijdragen aan een meer caleidoscopisch en genuanceerd begrip van eicelverstrekking. Precies die meer volledige en meervoudige weergave van wat eicelverstrekking is of kan zijn, is essentieel voor een geldige geïnformeerde toestemming.
Deze complexiteit van meervoudigheid is geen probleem dat we moeten gladstrijken met het altruïstisch eufemisme, maar een realiteit die we moeten eerbiedigen. Want hoewel een roos onder een andere naam even zoet mag ruiken, verliest zij haar wezenlijke natuur zodra we haar ontdoen van haar doornen of haar complexe, delicate gelaagdheid.
[1] Er is weinig bekend over de genderidentiteit van eicelverstrekkers, al zijn er enige aanwijzingen. Zo toont één studie dat enkele eicelverstrekkers zich identificeren als transgender of gender-non-conform. Hoewel deze aantallen klein zijn, maken ze duidelijk dat eicelverstrekking niet uitsluitend door cisgender vrouwen gebeurt. In deze tekst gebruik ik soms toch de term “vrouwen”. Dit is niet bedoeld om personen met andere genderidentiteiten uit te sluiten, maar omdat dit de huidige demografische dominantie en gangbare terminologie in het veld weerspiegelt.