Terug naar overzicht

Mee met het Idee. Nieuwe gezinsvormen en ouderschap door Veerle Provoost

In deze maandelijkse column ‘Mee met het idee’ gaan verschillende deskundigen dieper in op een zelfgekozen onderwerp dat past binnen de thema’s van De Maakbare Mens. De auteur krijgt de ruimte om een gedachte of probleem uit te werken en daagt ook jou uit: ben jij mee met het idee?

Deze column is verschenen in de nieuwsbrief van 27 februari 2020.

door Veerle Provoost, professor empirische (bio-) ethiek (UGent) verbonden aan Bioethics Institute Ghent.

De veelkleurigheid van gezinnen in een context van toenemende genetisering 

Tegenwoordig ontsnappen we niet meer aan genetica. Het gaat van tabloids die berichten over ‘echte’ vaders van TV-sterren tot advertenties voor een DNA-kit als kerstcadeau. Daarnaast bespreken we de relatie tussen ouders en hun kinderen ook heel vaak in termen van gelijkenissen. Het begint al bij de eerste kraamvisite. Het opmerken van talenten maar evengoed van onhebbelijke trekjes bij onze kinderen wordt vaak gevolgd door de vraag ‘waar heeft hij/zij dat vandaan’.

Gelijkenissen hoeven op zich niets te maken te hebben met een genetische link maar veelal is er een onderliggende aanname van genetische verwantschap. Deze maatschappelijke fixatie op het genetische vormt een stevige uitdaging voor mensen die hun gezin op alternatieve gronden bouwen.

Het opmerken van talenten maar evengoed van onhebbelijke trekjes bij onze kinderen wordt vaak gevolgd door de vraag ‘waar heeft hij/zij dat vandaan’.

Nochtans beantwoorden steeds minder gezinnen aan het traditionele beeld van een gezin: een papa, mama en twee of drie kindertjes die eruitzien als mini-versies van papa of mama. Dat komt deels doordat er meer echtscheidingen en nieuw-samengestelde gezinnen zijn, maar ook de geneeskunde draagt haar steentje bij, bijvoorbeeld door fertiliteitsbehandelingen waarbij men donorgameten (sperma of eicellen) gebruikt.

De diversiteit aan gezinnen confronteert ons met vragen over de ouder-kind relatie en de grondslagen van het ouderschap. Wanneer kunnen we iemand als ‘ouder van’ beschouwen? Deze vraag heeft een morele relevantie aangezien we op die manier ook nagaan wie ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden toegewezen krijgt.

In een gezin dat via donorconceptie tot stand kwam, is er minstens één ouder zonder een genetische ouder-kind link. Desondanks erkennen we die ouders wel als volwaardige ouders. Zij krijgen een wettelijk statuut dat volledig gelijk staat aan dat van ouders die wel een genetische link hebben met hun kinderen. Hun ouderschap is dus op andere gronden gestoeld.

Meerdere gronden voor ouderschap

Mochten we alleen de genetische link erkennen als grond voor ouderschap, dan sluiten we niet enkel ouders uit die een kind kregen na een behandeling met donorgameten maar ook adoptie- en stiefouders. Een te enge focus op het genetische levert ook elders problemen op. Stel: Anna, de helft van een eeneiige tweeling, krijgt een kind. Is haar tweelingzus Marie dan meteen ook moeder geworden? Zijn de kinderen van Anna en Marie dan halfbroers en –zussen? Het lijkt absurd om Anna en Marie evenveel rechten en verantwoordelijkheden te geven tegenover Anna’s kinderen. Het genetische is dus niet zaligmakend.

Lange tijd waren zwangerschap en geboorte de sleutels tot ouderschap, althans voor de moeder. Onze huidige wetgeving is daar nog steeds op gestoeld. De moeder is diegene ‘uit wiens lichaam het kind geboren werd’. Dit criterium helpt ons bij het bepalen van het moederschap voor Anna en Marie maar maakt het bij draagmoederschap net moeilijker. En wat doen we dan met vaders? Krijgen die hun ouderschap uitsluitend op basis van secundaire criteria; dankzij hun relatie met de moeder? Vaders zullen daartegen inbrengen dat zij doorgaans toch ook een – zij het een kleinere – bijdrage geleverd hebben tot het ontstaan van het kind.

Krijgt diegene die heeft bijgedragen tot het ontstaan van het kind het ouderschap? Bij fertiliteitsbehandelingen hebben ook de artsen, de embryologen, de verpleegkundigen, etc. causaal bijgedragen. Dat worden grote familiefeesten.

Moeten we de grondslagen voor ouderschap dan zoeken bij een causale link? Krijgt diegene die heeft bijgedragen tot het ontstaan van het kind het ouderschap? Bij fertiliteitsbehandelingen hebben ook de artsen, de embryologen, de verpleegkundigen, etc. causaal bijgedragen. Dat worden grote familiefeesten. En wat met grootouders die soms jarenlang hints gaven of zelfs bij hun kinderen aandrongen om aan een gezin te beginnen?

Een andere basis voor ouderschap is de sociale band tussen ouder en kind. Toen we kinderen in ons onderzoek vroegen om uit te leggen wat een papa of een mama is, stond die sociale band centraal: ‘een papa is iemand die al heel lang voor mij zorgt’ of ‘een mama is een soort persoonlijke babysit’. Het belang van die sociale band erkennen we eveneens in betwistingen over het hoederecht. Wanneer we echter uitsluitend de sociale band als voldoende basis voor ouderschap zouden zien, krijgen we het eveneens lastig. Velen kunnen een sociale band met een kind opbouwen. Hoe langdurig en diepgaand moet die band zijn om van ouderschap te spreken? En wat met een pasgeboren kind dat die sociale band nog moet opbouwen?

Tenslotte hebben we nog ‘intentie’? We kunnen ouderschap (met de bijhorende rechten en verantwoordelijkheden) toebedelen aan diegene die de intentie had een kind op de wereld te zetten en ervoor te zorgen. Dat lijkt een mooie oplossing, maar bij ongewenste zwangerschappen is er geen intentie. Zullen we dan aanvaarden dat er kinderen geboren worden zonder ouders? Moeilijk.

Loskomen van de genetische link

We zouden kunnen verwachten dat mensen die gezinnen creëren via donorconceptie de genetische link minder belangrijk vinden. Ze lijken immers een vorm van ouderschap aan te gaan die gegrond is op andere criteria.

Toch is er iets eigenaardig aan de hand: koppels die voor een tweede kindje gaan via donorconceptie willen heel graag de zaad- of eicellen van dezelfde donor gebruiken. Dat lijkt op het eerste gezicht contradictorisch. Ze zien zichzelf als volwaardige ouder, ook zonder die genetische link met hun kind, maar vinden die volle genetische band voor broers en zussen wel nodig. Vinden die ouders die genetische familiebanden dan stiekem toch essentieel?

Heel wat ouders beschouwen de afwezigheid van een genetische link met hun kinderen inderdaad als een verlies en donorconceptie blijft voor hen een ‘plan B’ voor het stichten van een gezin. Toch ligt volgens mij de verklaring voor het verlangen naar een volle genetische broer-zus relatie voor de kinderen minstens gedeeltelijk elders. Eerder dan een fundamentele twijfel aan de waarde van niet-genetische gezinsrelaties, zien we dat heel wat ouders twijfelen over hoe de buitenwereld op hun gezin en hun ouderschap zal reageren.

Gezocht: nieuw discours rond ouderschap

Na jarenlang onderzoek* over deze materie meen ik dat de maatschappelijke erkenning van alternatieve vormen van ouderschap een belangrijke rol speelt in de manier waarop ouders omgaan met de afwezigheid van een genetische ouder-kind link.

Ons huidige maatschappelijk discours rond ouderschap (en kinderen als ‘eigen vlees en bloed’ of ‘een aardje naar zijn vaartje’) bezorgt deze ouders een voortdurende confrontatie met hun ‘anders zijn’. We zagen dat ouders het vaak lastig vinden om hun behandeling en hun ouderschap aan de omgeving te moeten uitleggen of, meer nog, verantwoorden. We stelden vast dat, niet zozeer de ouders, als wel anderen buiten het gezin bepaalde ouder-kind relaties niet als volwaardig erkenden. Zo waren er wel eens grootouders die vonden dat hun donorkleinkinderen toch geen echte kleinkinderen waren.

Vanuit de onzekerheid over de maatschappelijke erkenning van hun ouderschap (‘zullen wij wel gezien worden als echte ouders?’) zien we vaak een wens om het gezin ‘zo gewoon mogelijk’ (lees: ‘zoveel mogelijk volgens de norm’) in te richten. Dat deze ouders een heel klassieke genetische link verkiezen tussen hun kinderen, is dan misschien niet zo vreemd.

Voor de klinische praktijk vind ik het daarom belangrijk dat toekomstige ouders voldoende geïnformeerd worden over de mogelijkheid om voor opeenvolgende zwangerschappen gameten van dezelfde donor te gebruiken. Koppels die reeds lang een onvervulde kinderwens hebben, zijn soms begrijpelijk vooral bezig met het bekomen van die eerste zwangerschap. Wanneer die wens voor een tweede kind er is, is het voor veel ouders heel pijnlijk om vast te stellen dat een volledig genetisch verwante broer of zus voor dat eerste kindje niet meer mogelijk is.  

We moeten op zoek naar een meer geschikt discours over ouderschap; een discours dat niet langer uitgaat van de verwachting of zelfs het ideaal dat gezinsrelaties gegrond zijn in een genetische link.

Ik denk echter dat het belangrijkste werk niet in de klinische praktijk zal moeten gebeuren maar bij ons allen; en wel rond de acceptatie van alternatieve ouderschapsvormen. In het licht daarvan moeten we ook durven nadenken over een wettelijke erkenning van meerouderschap zodat bijvoorbeeld een kind dat voortkomt uit een co-ouderschap tussen een homopaar en een single vrouw ook volwaardig beschermd wordt. Daarenboven moeten we op zoek naar een meer geschikt discours over ouderschap; een discours dat niet langer uitgaat van de verwachting of zelfs het ideaal dat gezinsrelaties gegrond zijn in een genetische link.

Zolang we geneigd zijn over de spermadonor te spreken als de ‘echte vader’ of de ‘genetische vader’ en de vader die het kind opvoedt aan anderen te omschrijven als ‘niet de echte vader’, ontbreekt het ons blijkbaar aan het discours om de maatschappelijke erkenning van niet-genetisch ouderschap volwaardig uit te dragen.

* Benieuwd naar nog meer resultaten van de interdisciplinaire studie rond ouderschap? Bezoek de pagina van parenthood (UGent)

Bekijk ook even dit: