Recensie ‘Libera me’

Over euthanasie en psychisch lijden

Door Gerbert Bakx

De auteur, psychiater en psychotherapeute Lieve Thienpont, is LEIFarts (LevensEinde Informatie Forum) en voorzitter van de vzw Vonkel die informatie en documentatie ter beschikking stelt over sterven, dood en rouw. Zij werkt als consulent-psychiater in de verschillende consultatiecentra van het ULteam (Uitklaring Levenseindevragen). Als psychiater en psychotherapeute zoekt zij al vele jaren naar mogelijkheden om mensen met ondraaglijk en perspectiefloos lijden te helpen bij het sterven. De Belgische euthanasiewet uit 2002/2014, die vrij uniek is en die vele landen ons benijden, laat dit ook toe voor mensen met een psychiatrische problematiek, met name in geval van ‘ondraaglijk psychisch lijden’.

In zijn voorwoord tot het boek Libera me behandelt prof. Johan Braeckman vanop een filosofisch standpunt het belangrijke probleem van de subjectieve ervaring in het algemeen en van de ervaring van ondraaglijk psychisch lijden in het bijzonder. Niemand heeft immers rechtstreeks toegang tot de mentale wereld van anderen en daarmee is het probleem meteen duidelijk gesteld. Voor de wet is er geen onderscheid tussen lichamelijk en psychisch lijden, maar psychisch lijden is altijd subjectief en lijkt daardoor minder zwaarwegend dan wat objectief kan worden vastgesteld. Nochtans is elke pijn uiteindelijk subjectief aangezien ze alleen in het bewustzijn wordt ervaren, ongeacht of ze het gevolg is van een depressie of een verdriet, dan wel of ze gelokaliseerd kan worden in een lichamelijk orgaan. Juist omdat pijn subjectief is, heeft ze voor de betrokkene een grote werkelijkheidswaarde.
Johan Braeckman stelt dan ook dat uiteindelijk alleen de patiënt kan oordelen over de ernst van de pijn, in het bijzonder van psychische pijn. De geneeskunde was ooit gekenmerkt door paternalisme en medische betutteling, maar dit medische model is door recente ethische en juridische ontwikkelingen – met name door de erkenning van patiëntenrechten, de mogelijkheid van palliatieve zorg en euthanasie, evenals het scherpstellen van ethische concepten als zelfbeschikking en waardigheid – voorbijgestreefd. Patiënten zijn niet langer onmondige en passieve ontvangers van medische hulp, maar zijn actieve subjecten die willen meebepalen welke zorg ze willen ontvangen. Net als voor patiënten met ondraaglijke fysieke pijn, is euthanasie ook voor patiënten met psychische pijn de ultieme hulp die de geneeskunde nog kan bieden.

De auteur, zelf psychiater, is terecht kritisch over de rol van de psychiater: ‘Een psychiater heeft kennis van de psychopathologie, maar de noodzakelijke bereidheid het lijden onvoorwaardelijk ernstig te nemen is geen voorrecht van psychiaters.’ De psychiater kan met de patiënt alternatieve mogelijkheden bekijken en naar een nieuw levensperspectief zoeken. Belangrijk is echter de geruststellende boodschap dat er hoop is op een menswaardig levenseinde indien een beter leven niet haalbaar zou blijken. Begrip opbrengen voor de bezorgdheid om het levenseinde, geeft ruimte aan patiënt en hulpverlener om naar mogelijkheden binnen het leven te zoeken. Als patiënten weten dat ze met hun vraag terecht kunnen, zetten ze deze vraag vaak tijdelijk on hold.
De Belgische sportvrouw Marieke Vervoort getuigde in een kranteninterview over dit gevoel van bevrijding: ‘Ik herleefde. Alsof er een last van me afviel.’ Thienpont gebruikt het beeld van een balans: ‘Zolang deze blijft schommelen tussen kracht en last, is er ruimte om te spreken over leven en dood. Maar als de patiënt aangeeft dat zijn lijden zwaarder wordt dan de kwaliteit van het leven, en de balans uiteindelijk doorslaat, moeten we dit durven aanvaarden.’ Er bestaat immers geen objectieve wijze om ondraaglijk en perspectiefloos lijden vast te stellen, hoe graag sommigen dit ook zouden willen. Bij kanker is er een zichtbare tumor maar psychisch lijden valt niet te objectiveren. De hulpverlener voelt hier zijn onmacht.

Op p. 32 van het boek lezen we: ‘Het vangen van het lijden in een schaal zal misschien de behandelaar geruststellen maar zal nooit voor de patiënt dezelfde waarde hebben als het samen zorgvuldig uitklaren van zijn situatie.’ En elders: ‘We hebben geen valide meetinstrumenten om de intensiteit van fysiek en psychisch lijden te meten. Vanuit ons eigen referentiekader van wat het leven is, kunnen we begrijpen dat bepaalde patiënten niet verder willen. Het is veel moeilijker te begrijpen dat iemand die er goed uitziet, een partner en kinderen heeft, een baan en een mooi huis, toch wil sterven. Patiënten voelen zich ook zelf vaak schuldig en zien zich vaak genoodzaakt verder te leven vanwege verplichtingen en verantwoordelijkheden tegenover de omgeving.’

Elders in het boek lezen we: ‘Het valt mij op dat de meeste patiënten met een euthanasievraag verstandige mensen zijn die perfect kunnen meedenken en redeneren. Bijna alle patiënten zijn ambivalent ten aanzien van hun vraag. Zij willen liever verder leven, maar niet het leven dat zij nu leiden. Bijna alle patiënten vinden weinig begrip voor hun euthanasievraag. Nochtans blijkt dat een ontvankelijke houding van de zorgverlener levensverlengend kan zijn. Een patiënt die merkt dat zijn psychisch lijden ernstig wordt genomen, komt tot rust en wil proberen de draad van het leven opnieuw op te nemen. In de handleiding van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie staat dan ook te lezen: ‘Ieder verzoek om hulp bij zelfdoding door een psychiatrische patiënt moet in eerste instantie opgevat worden als een vraag om levenshulp.’

In haar inleiding schrijft Lieve Thienpont dat dit boek ontstaan is als resultaat van twaalf jaar werken met patiënten die euthanasie vragen wegens psychisch lijden. Libera me is dan ook geen handboek en heeft zelfs niet de pretentie een wetenschappelijk werk te zijn. De auteur wil ook geen standpunt of morele houding verdedigen. Het gaat veeleer over getuigenissen en reflecties die de lezer willen uitnodigen om mee te denken over deze delicate kwesties. Het is als een inleefreis in het land van de psychische hulpverlening, aan de hand van een gids vol menselijkheid en medeleven.
Het boek bevat niet minder dan 37 getuigenissen en reflecties, die telkens aangegrepen worden om een bepaald aspect van het werken met psychisch lijden te verduidelijken. Zij bestrijken het ruimteveld van de moeilijkheden van het leven, zowel bij jongeren als bij ouderen. Het is een aanbevolen reis voor al wie met deze problematiek in aanraking komt of erin geïnteresseerd is.

In zijn nawoord merkt Wim Distelmans op dat het geen verwondering wekt als een patiënt met kanker informeert naar de mogelijkheid van euthanasie voor onomkeerbaar en uitzichtloos lijden, maar dat het veel moeilijker blijkt dit te aanvaarden van een psychiatrische patiënt. Uit de rapporten van de Federale Commissie Euthanasie blijkt nochtans dat zelfs bij lichamelijke ziekten de voornaamste redenen voor het euthanasieverzoek neerkomen op psychisch lijden wegens verlies van zelfredzaamheid, afhankelijkheid van anderen, onwaardigheid en uitzichtloosheid. De moeilijkheid voor de bijgeroepen arts is evenwel dat psychiatrische patiënten niet terminaal ziek zijn en nog vele jaren met hun aandoening zouden kunnen overleven. Toen er nog geen euthanasiewet was, kon in gevallen van ondraaglijk lijden alleen de zogenaamde genadedood (mercy killing) worden uitgevoerd waarbij artsen altijd moesten vrezen zich voor een rechter te moeten verantwoorden.
In bijlage worden nog de teksten van de Belgische en de Nederlandse wet op euthanasie gegeven.

Titel: Libera me. Over euthanasie en psychisch lijden
Auteur: Lieve Thienpont
Boekinfo: Witsand Uitgevers
ISBN 978 94 9201 113 8
Verschijningsdatum: april 2015
Recensent: Gerbert Bakx
Beoordeling:

Gepubliceerd op 31-07-2019

Bekijk ook even dit:

Onze boekbesprekingen

Je winkelmand is leeg.