Recensie ‘Oud genoeg om dood te gaan’

Door Klaas Nollet

Oud genoeg om dood te gaan stelt de maakbaarheid van de mens rechtstreeks in vraag. Kunnen we de processen die zich elke seconde van de dag voltrekken in ons lichaam beïnvloeden, hebben we er enige greep op? Of dienen we onze onmacht te aanvaarden en het beste te maken van wat ons gegeven is? En hoe doen we dat dan?

Met de inleiding geeft Ehrenreich meteen prijs dat haar boek gevoed werd door persoonlijke ervaringen. Haar strijd met borstkanker blijkt een grote motor van haar frustraties met de hedendaagse medicalisering te zijn en door haar proefschrift over macrofagen (immuuncellen die al graag eens een dubbele rol spelen) heeft haar vertrouwen in de harmonie van het lichaam een deuk gekregen. Vanuit die persoonlijke drijfveren probeert ze een visie op leven en dood te ontwikkelen.
Ze gaat uiteindelijk in een vrij chargerende schrijfstijl van start en verzet zich vanaf het eerste hoofdstuk tegen de medicalisering van het ouder worden. De nadruk op verlenging van het leven is niet zaligmakend en de bedoelingen van de medische wetenschap zijn niet eenduidig positief. Screening en niet strikt noodzakelijke medische ingrepen zouden vaker wel dan niet een last zijn voor de mens. Medische onderzoeken en behandelingen zouden in veel gevallen de werking van rituelen aannemen en bij nader inzien zelfs grensoverschrijdend gedrag inhouden. Als zelfverklaarde feministe trekt ze ook van leer tegen de zorg voor vrouwen. Ingrepen tijdens de bevalling zijn volgens Ehrenreich wetenschappelijk niet verantwoorde rituelen van dominantie, die aantonen dat de vrouw machteloos en vies is. Vroeger werd de bevalling gemismanaged door het patriarchaat en daarna door de technocratie. Als er geen tubetjes en medicijnen mee gepaard gaan is het niet goed.

Van de medische wereld maakt ze de overstap naar de huidige lichaamscultuur. De fitnessrage zou het resultaat zijn van het toegenomen aanbod van gezondheidsbevorderende ervaringen. Bij verlies aan vertrouwen in de maatschappij biedt sport controle. In de fitnessideologie lijkt de arts overbodig voor wie zijn verantwoordelijkheid opneemt en zichzelf steeds verbetert. Door het willen voorkomen van ziektes ontstaat het bewustzijn van de verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid en daarmee het in vraag stellen van maatschappelijke solidariteit: “Waarom zou ik betalen voor een ander die zijn gezondheid zelf heeft verpest?” Later in het boek zal duidelijk worden dat Ehrenreich de invloed die we zelf kunnen uitoefenen niet al te hoog acht en hoewel ze zelf deelneemt aan de lichaamscultuur, ze de achterliggende ideologie niet ondersteunt.

Via de wilskracht en de macht van de geest over het lichaam komen we uit bij de geest zelf. Mindfulness komt onder de aandacht als fitness voor de geest. Daarbij vraagt de auteur zich af waar het ik dan is als zelfs de geest kan gekneed worden. “Het doel is dat het lichaam en de geest door samenwerking als een perfecte zichzelf regulerende machine functioneren.” Ook dat zal een illusie blijken in het geheel van het boek.

Wanneer in het zesde hoofdstuk de dood expliciet aan bod komt, is het tijd om een aantal dingen concreet in vraag te stellen. Ehrenreich somt mensen op die goed geleefd hebben, maar toch vroeg stierven. In het huidige maatschappijbeeld lijkt dat niet te kloppen. De mens wil voor alles een verklaring, maar niet uit elk onheil vallen morele lessen te trekken. Goed en fout eten, de oorlog tegen het roken en de sociale ongelijkheid passeren de revue in datzelfde kader. Wat is gezond? Het holisme wordt op de rooster gelegd. Volgens Ehrenreich zouden we geheel van lichaam en geest eenvoudig onder bewuste controle kunnen krijgen als het als geheel zou willen handelen. Dat is haar kritiek op het holisme. Ze gaat daarin mijns inziens vrij kort door de bocht, maar die bijtijds provocerende schrijfstijl spreekt ook aan omdat die je uitdaagt je eigen visie helder(der) voor ogen te krijgen.
Uiteindelijk komt ze tot twee visies op het lichaam die ze idealiter ziet samengaan in één geest: het holistisch-utopische paradigma van het lichaam als geolied mechanisme en het dystopische paradigma van het lichaam als een onophoudelijke strijd tussen cellen.

Die strijd werkt ze uit in de daarop volgende hoofdstukken. Op celniveau ziet ze heel wat ‘gedragingen’ die niet in een harmonieus lichaam kunnen thuishoren. Het meest prominente voorbeeld daarvan zijn de macrofagen (immuuncellen) die kankercellen van groeifactoren voorzien en hen helpen bij de aanleg van nieuwe bloedvaten: “Macrofagen zijn verantwoordelijk voor heel wat narigheid en zijn niet zomaar in verschillende soorten te classificeren. Misschien doen ze gewoon hun zin.”
Vanuit het concept van cellulaire besluitvorming gaat ze over handelingsbekwaamheid bij mens en dier tot bij de vrije wil. Op de keper beschouwd wil ze met haar uitweidingen over bewustzijn en handelingsbekwaamheid aantonen dat er in ons lichaam heel wat dingen gebeuren waarover wij geen controle (kunnen) hebben. Daarna koppelt ze terug naar waar ze in zekere zin mee begonnen is. Wat is succesvol ouder worden en hoe doen we dat? Ouderen worden tot van alles verplicht en verouderen wordt gezien als een te behandelen ziekte in plaats van een normale fase van de levenscyclus. Biologisch gezien worden er gewoon meer fouten gemaakt in de celdeling en de mogelijkheid tot corrigeren. Evolutionair gezien zijn ouderdomskwalen positief – er wordt plaats gemaakt ten voordele van de jongere generatie omdat ouderen geen evolutionair nut meer hebben – maar het ouder wordende individu ervaart ouderdomsziektes als verraad.

Is er in heel dat ouder worden iets als ‘een zelf’ dat onvatbaar is voor het verval? Met dat thema wordt het streven naar onsterfelijkheid aangehaald en de natuurlijke neiging van de mens om zich onder te dompelen in iets wat groter is dan zichzelf: God, de natie, het regiment, een revolutie, … De mens is een sociale soort, maar helaas biedt een antropocentrische benadering geen troost inzake onze sterfelijkheid.
‘Het zelf’ kan geen soelaas brengen wanneer het om onze sterfelijkheid gaat, dus gaat Ehrenreich het elders zoeken. Werken aan het eigen leven staat in contrast met de onvermijdelijke neergang.  De traditionele oplossing hiervoor is het bestaan veronderstellen van een bewuste instantie buiten onszelf. Het godsbeeld van de auteur getuigt van problemen met de theodicee en een gevoel van onrechtvaardigheid wanneer men in God zou geloven. De dood van God is de intellectuele basis geweest voor de verheerlijking van het zelf. Maar tegelijk is de dood ondraaglijk…tenzij je het zelf weet te ontstijgen. Via een korte omweg over psychedelica die het zelf onderdrukken, het gevoel van harmonie en eenheid met de natuur of het universum bevorderen en daardoor angst voor de dood zouden wegnemen, ziet ze uiteindelijk de dood als ‘een omhelzing van het doorgaande leven’. Bij het lezen hiervan voelde ik zelf de neiging om terug te koppelen naar enkele passages over religie en God, want daar laat ze door haar weinig diepgaande analyses heel wat ruimte voor persoonlijke kritiek van de lezer.

De nadruk ligt in dit boek echter niet op sluitende wetenschappelijke of filosofisch-theologische argumentaties, maar op het feit dat Ehrenreich haar eigen modus vivendi vindt met de sterfelijkheid en het onvermijdelijke verval van de mens, en dat ze die voor ons heeft uitgeschreven. Heel wat elementen in het boek zijn dus voor discussie vatbaar en haar argumenten ogen vaker wel dan niet meer persoonlijk dan wetenschappelijk, maar toch is dit een vlot lezend boek dat best boeiend is. Het geeft je een persoonlijke kritische visie op ouder worden en hoe we als maatschappij dikwijls tevergeefs controle proberen te krijgen over dingen die ons zullen blijven ontglippen.

Titel: Oud genoeg om dood te gaan
Auteur: Barbara Ehrenreich
Boekinfo: www.atlascontact.nl
Verschijningsdatum: juni 2018
ISBN 9789045032665
Recensent: Klaas Nollet
Beoordeling: 

Gepubliceerd op 31-07-2018

Bekijk ook even dit:

?php the_field('gerelateerdbericht_titel2'); ?>

Onze boekbesprekingen

Je winkelmand is leeg.