Terug naar overzicht

Geneesmiddelen in de strijd tegen COVID-19

Met een vaccin hopen we mensen te beschermen tegen het sars-CoV-2 virus. Beter bekend als het (corona)virus dat COVID-19 veroorzaakt. Een vaccin is een preventieve oplossing om te vermijden dat mensen ziek worden. Wereldwijd is men op zoek naar zo’n vaccin. Maar zelfs in het meest optimistische scenario is dat pas klaar tegen begin 2021.

Maar zijn er middelen die ons lichaam kunnen helpen om het virus te verslaan? Ook daarnaar zoekt men. De kans bestaat dat zo’n geneesmiddel veel sneller wordt gevonden.

Sars-CoV-2 virus is een nieuw virus. Een kant-en-klaar middel is er dus niet. Verschillende pistes op basis van bestaande middelen worden onderzocht.

Antivirale middelen

Antivirale moleculen boycotten de eiwitten die het virus nodig heeft om onze cellen binnen te dringen. Ze zijn relatief makkelijk te produceren, maar hebben wel bijwerkingen.

Van verschillende bestaande middelen denkt men dat ze ook effect kunnen hebben tegen COVID-19. De belangrijkste kanshebbers zijn een medicijn tegen malaria, twee aidsremmers en een middel dat werd ontwikkeld in de strijd tegen Ebola.

Het is nog niet bewezen dat deze middelen werken bij het sars-CoV-2 virus. Dat wil de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) met een grote studie bij duizenden patiënten uitzoeken. In Europa zullen 3.200 patiënten deelnemen aan het onderzoek, ook Belgische patiënten.

De studie zal drie jaar duren. Als blijkt dat één van de middelen duidelijk betere resultaten geeft, dan kan dat middel wel al aan de standaardbehandeling van alle patiënten worden toegevoegd voor de studie volledig is afgelopen.

Als men een werkzaam middel vindt, kan dat ervoor zorgen dat COVID-19 milder verloopt, dat er minder patiënten op intensieve zorgen terechtkomen of dat ze sneller herstellen. Het helpt dus niet alleen de zieken, maar zorgt er ook voor dat het zorgsysteem minder belast wordt.

Antilichamen

Antilichamen horen bij de normale immuunreactie van ons lichaam. Ze binden zich aan het virus en breken het af.

Bij een geneesmiddel op basis van antilichamen wordt niet gewacht tot het immuunsysteem van de patiënt zelf antilichamen maakt. Maar men dient antilichamen toe zodat het lichaam sneller het virus de baas kan.

Het maken van antilichamen is vrij complex en daardoor ook duur. Het voordeel is dat een behandeling met antilichamen zo goed als geen bijwerkingen heeft.

Men onderzoekt momenteel onder andere of antilichamen die werden ontwikkeld tegen SARS, een verwant virus, mits aanpassingen ook werken bij COVID-19. Ook het Vlaamse Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB) onderzoekt een op antilichamen gebaseerd geneesmiddel.

Zo’n geneesmiddel kan gebruikt worden om het virus te bestrijden bij besmette personen, maar ook om te voorkomen dat risicopatiënten besmet geraken.
Het verschil met een vaccin is dat een vaccin een immuunreactie van het lichaam uitlokt zodat het lichaam zelf antilichamen gaat produceren terwijl in dit geval externe antilichamen worden toegediend.

Het duurt makkelijk een paar dagen voor het eigen immuunsysteem reageert op een indringer. En vooral bij risicopatiënten reageert het immuunsysteem niet altijd goed op vaccins. Terwijl de toegediende antilichamen direct werken. 

Bekijk ook even dit: