Transgender: van vroeger tot nu

door Joz Motmans, joz.motmans@uzgent.be n.a.v. de vertoning ‘The Danish Girl’ in Cinema Lumière op 14 maart 2017.

Kopenhagen, 1926. De Deense schilderes Gerda Wegener gebruikt haar man Einar als vrouwelijk model. Vanaf dan kleedt Einar zichzelf steeds vaker als een vrouw. Hij noemt zichzelf voortaan Lili. Met de steun van Gerda gaat ‘Lili’ op zoek naar zichzelf, een beslissing die een grote impact heeft op hun leven en operaties vereist. Onderweg ontmoeten ze kunsthandelaar Hans Axgil (Matthias Schoenaerts), een jeugdvriend van Einar. De drie beginnen een complexe liefdesrelatie.

De film “The Danish Girl” van Tom Hooper haalde drie nominaties voor de Golden Globes en vier Oscarnominaties binnen. Alicia Vikander verzilverde de Oscar voor ‘Best Supporting Actress’.

De film is geïnspireerd op het levensverhaal van Lili Elbe, en wordt gepresenteerd als het verhaal van een transgender die als een van de eerste geslachtsveranderende operaties onderging. Lili Elbe stierf in 1931, 2 maanden na haar na haar 4 of 5de operatie, een uterustransplantatie. De film is prachtig gemaakt, en zal zonder twijfel u een aangename avond bezorgen. Maar in deze inleiding wil ik u toch even een ruimer en kritische blik aanreiken, en u even meenemen op een reis doorheen het verleden en identiteiten. Want was Lili Elbe wel de eerste trans vrouw? Nee natuurlijk niet.

Terug in de tijd

Als we even terugkijken in de tijd, zien we cross-dressing doorheen de eeuwen. In West-Europa alleen al hebben levensverhalen van Joan of Arc, Cartalina de Erauso, Angélique Brulon of Chevalier D’Eon ons duidelijk gemaakt dat er meer dan m of v bestaat, en dat een M soms een V wordt of omgekeerd, tenminste op het sociale vlak. Ik raad u het prachtige boek van Leslie Feinberg aan (“Transgender warriors”) als u meer wilt lezen – of het historische werk van Dekker & van de Pol (“vrouwen in mannenkleren”) waarin zij aan de hand van gerechtelijke documenten verhalen over crossdressing in Europa hebben gesprokkeld uit de periode 1500-1800. Verhalen over personen die na hun dood, of bij een slepende ziekte werden ‘ontdekt’, en voor de rechter moesten verschijnen – want bij gebrek aan identiteitspapieren of nationaal register, was het in zijn macht (ja het waren toen enkel mannen) om over iemands geslacht te oordelen.

Het benoemen van het lichaam als mannelijk of vrouwelijk gebeurde in het Westen echter niet steeds op dezelfde manier, en werkt in- en uitsluitend. Tot eind 17de eeuw was een sekse een variatie op 1 thema. De tegenstellingen tussen man en vrouw werden – net als in de Oudheid – geduid binnen het wetenschappelijke kader van de Griekse humorenleer. Volgens deze theorie van de lichaamsvochten zijn mannen warm en droog, vrouwen koud en vochtig. Aangezien de vrouw ‘koud’ is, zoeken haar genitaliën de warmte binnenin op. Biologisch (anatomisch) gezien is er geen strakke afgrenzing tussen mannen en vrouwen. De vrouwelijke genitaliën zijn voor de klassieke geneesheer identiek aan die van de man: eierstokken zijn inwendige testikels, de vagina is een omgekeerde penis. Vrouwen zijn in deze visie niet essentieel anders dan mannen, maar wel – want kouder – van een iets mindere kwaliteit en dus inferieur.

Ten tijde van dit één-seksemodel beziet men vrouwelijkheid of mannelijkheid als ware het punten op een glijdende schaal. Bij zowel mannen als vrouwen vindt men beide componenten – in wisselende proportie weliswaar – terug. Men dacht dan ook dat mannen in vrouwen kunnen veranderen, en vrouwen in mannen, door het stellen van gedrag dat een invloed uitoefent op de temperatuur van de lichaamsvochten. Zo zou bijvoorbeeld de redekunst het lichaam droger, en dus mannelijker maken (en vrouwen werden hiervoor dus niet geschikt geacht). Een overmaat aan seksuele activiteit zou het lichaam afkoelen, of vrouwelijker maken. Het lichaam is in deze visie duidelijk gegenderd (cultureel bepaald): mannelijkheid of vrouwelijkheid is een mengeling van biologische en gedragsmatige factoren.

Vanaf de 17de en de 18de eeuw breekt men met de opvatting dat de seksen enkel gradueel verschillend zijn. In deze periode ontstaat het zogenaamde ‘moderne lichaam’. Vrouwen worden gedefinieerd als wezenlijk verschillend van en zelfs polair tegengesteld aan mannen. Het waarneembaar verschil tussen de anatomische geslachtskenmerken wordt de basis voor het onderscheid tussen man en vrouw. Vrouwelijke geslachtsorganen zijn niet langer het ‘koude’ spiegelbeeld van de mannelijke. De testikel bijvoorbeeld – in het één-seksemodel nog toegeschreven aan man én vrouw – krijgt in het moderne lichaam een vrouwelijk equivalent: de eierstok. Het vrouwelijk lichaam is niet langer vergelijkbaar met dat van een man, en voor het eerst tekent men voor elk geslacht een ander skelet. De vrouw krijgt smalle schouders en brede heupen, die haar welhaast dwong steun te zoeken bij een man. De vrouwelijke ribbenkast is zo smal omdat de vrouwelijke levenswijze “een minder krachtige ademhaling vereiste”.

Wat opvalt is dat de verschuiving van het één-seksemodel naar het twee-seksemodel niet samenvalt met nieuwe medische ontdekkingen op het gebied van het lichaam of van de voortplanting. Die ontdekkingen dateerden al van de periode van de Renaissance. De doorbraak van het twee-seksemodel kadert eerder in het vertoog over de nood aan een scherpere scheiding tussen de mannelijke, publieke sfeer en de vrouwelijke sfeer van het huisgezin. Dat vertoog maakt vooral opgang tijdens de tweede helft van de 18de eeuw, een tijd van grote politieke veranderingen. De gecreëerde verschillen tussen rassen, klassen en seksen fungeren als legitimatie voor maatschappelijk ongelijke posities. Men haalt eisen tot sociale en politieke emancipatie onderuit door empirisch gefundeerde biologische categorieën zoals ras en geslacht in te roepen. Lichamen van mannen en vrouwen, blanken en kleurlingen, joden en niet-joden, middenklasse en arbeiders werden geacht erg te verschillen.

De categorie ‘witte man’ wordt de onuitgesproken standaard van de universele categorie ‘mens’. Vrouwen en zwarten zouden dichter bij de natuur staan en zouden door hun lichamelijke gesteldheid minder geschikt zijn voor geestelijke arbeid. Men vindt zelfs dat vrouwen zich moeten onthouden van een teveel aan geestelijke arbeid, omdat zo’n arbeid hen aseksueel en steriel zou maken. Vrouwen krijgen hierdoor niet alleen minder opleidings- en beroepsmogelijkheden, ook hun positie in het huwelijk en de staat is miserabel. Kortom, het fysieke gegeven man of vrouw, wit of zwart te zijn, bepaalt de mogelijke sociale en culturele posities.

De 20ste eeuw

Laten we even een sprong maken naar de 20e eeuw. Begin 20ste eeuw zien we de geboorte van de discipline van de seksologie en psychologie. Niet langer ligt de macht van het “onduidelijk” geslacht in de handen van rechters en advocaten, maar in dat van artsen en psychologen. En het was in dit tijdperk, in de Duitse Weimarrepubliek dat wetenschappers als Magnus Hirschfeld en Haveloch Ellis werkten. Zij zijn te situeren in een stroming waarin de wetenschap tot een consensus lijkt te komen dat cross dressing, homoseksualiteit en transseksualiteit te onderscheiden fenomenen zijn. Het is Magnus Hirschfeld: die de termen transvestiet (1910) en transseksueel (1923) lanceert. Het is hier dat het verhaal van Lilli Elbe zich afspeelt. Operaties worden in de wetenschappelijke niche beoefend als ultieme redmiddel voor patiënten die worstelen met hn geslachtsidentiteit.

Doch, het is pas met het verhaal over de ‘eerste’ transseksuele vrouw (Christine Jorgensen) in 1952 dat transseksualiteit bij het ruime publiek bekend wordt door de talrijke media die erover publiceerden. Het gegeven dat een man niet alleen zijn gender maar ook zijn sekse kan veranderen wordt een realiteit in de hoofden van de mensen. Het zou nog vele jaren duren vooraleer duidelijk wordt dat zulke transiteis ook in de omgekeerde richting kunnen gebeuren. Dit verschil in bekendheid tussen transvrouwen en transmannen werkt vandaag de dag nog steeds door. Nochtans vindt de eerste transitie van vrouw naar man reeds in 1949 plaats, enkele jaren voor Christine Jorgensen. Michael Laurence Dillon is de ‘eerste’ transman die testosteron gebruikt en een dubbele mastectomie (borstverwijdering) ondergaat in 1942 in Engeland. Wanneer het verhaal van Christine Jorgensen in 1952 breed in de media uitgesmeerd wordt, wordt haar arts Christian Hamburger overspoeld door aanvragen van mensen die deze procedure willen ondergaan. Het transseksuele fenomeen is geboren.

Medio jaren 1960 opent de eerste ‘gender identity’ kliniek aan de John Hopkins University (Baltimore, Verenigde Staten). De wetenschapper Harry Benjamin bracht in 1966 het boek “The Transsexual Phenomenon” uit, een grondige studie over transseksualiteit. Benjamin wordt vaak gezien als de ‘founding father’ van de westerse transseksualiteit omdat hij de revolutionaire stap nam om de ‘sekse veranderende chirurgie’  als oplossing voor het ervaren conflict tussen geest en lichaam, voor ‘geschikte kandidaten’ te verzekeren. Een geschikte kandidaat was dan – in dat tijdsperk – een transpersoon die overtuigend overkwam als vrouw (denk aan lang haar, make-up, vrouwelijk gekleed etc). Indien zij na haar transitie trouwde met een man werd dit als een bewijs van de juistheid van de medische behandeling aanzien. Homoseksualiteit was immers een grond om mensen te weigeren.

Waar staan we vandaag de dag?

Uit de levensverhalen opgetekend buiten de instituties van de genderklinieken, komt naar voren dat vele mensen de gangbare indelingen en benamingen zoals transman en transvrouw ontoereikend vinden om de veelzijdigheid die men ervaart, of waarnaar men streeft, te kunnen uitdrukken. In deze gevallen blijkt eens te meer dat de Nederlandse taal geen ruimte biedt voor het aanduiden van mensen die zichzelf niet als een hij of een zij ervaren. De rijkdom aan identiteiten op het genderspectrum wordt in de literatuur echter wel meer en meer beschreven. Termen als genderqueer, intergender, bi-gender, no-gender of gender-free zijn een paar voorbeelden van zelfbenoemingen van ‘gendervariante’ mensen die zichzelf niet voelen passen in de hokjes man of vrouw en deze beknellende indeling achterwege willen laten. Om u een voorbeeld te geven: in de grootste Europese studie tot op heden onder transgender personen (de Europese FRA LGBT studie) blijkt dat maar liefst tweederde van de haast 6700 transgender respondenten zich buiten de M/V hokjes plaatst. Uit de SEXPERT studie weten we dat 0.6 tot 0.7% van alle mannen en vrouwen in Vlaanderen zich eindelijk tot het andere geslacht voelt te behoren en dat om en bij de 2% zich noch man noch vrouw voelt.. Dat leidt tot grootordes van 130.000 mensen die niet of niet zo simpel in het M of V hokje passen. Een en ander kon u nalezen in de weekendbijlage bij de Morgen van 11 februari waar het thema gender nonbinariteit centraal stond met enkele mooie getuigenissen.

Transgender personen en het transgender thema zijn alom tegenwoordig in de media. Een goede zaak voor zij die informatie zoeken en hulp nodig hebben om zichzelf te realiseren. Maar tezelfdertijd lopen we vaak opnieuw in de val van het stereotype en dogmatisch verhaal van “lelijke eendje wordt mooie zwaan” (denk maar aan het personage Kaat in Thuis). Tezelfdertijd observeren we de noodzaak van media om alles te “framen” op basis van geslacht. Onlangs was ik te gast bij een radioprogramma waarbij de presentator een beller, die een verhaal bracht van non-binaire identiteit (het zich noch man noch vrouw voelen), op de persoon af vroeg “maar u hebt wel een penis?” Alsof  het hebben van een penis een marker is die we nodig hebben om bellers in te delen in groepen mannen of vrouwen, ook al zijn ze non-binair. Alsof de vraag “u hebt toch een penis” een vraag is die we normaal vinden te stellen aan personen die we net ontmoeten. Ook al had hij het mis, hij raakte een punt waar we niet om heen kunnen: namelijk de nood die we blijkbaar allemaal hebben om vanaf de geboorte tot de dood, mensen in te kunnen delen in mannen of vrouwen, en het niet kunnen plaatsen van diegene die hier niet in past. Uit de recente survey “Sociaal culturele verschuivingen” van de Vlaamse Studiedienst (2016), blijkt immers een vrij negatieve attitude tegenover stellingen die te maken hebben met genderambivalentie: maar liefst 60% van de Vlamingen vindt het belangrijk om bij een ontmoeting te weten of iemand een man of een vrouw is. We zullen er met zijn allen aan moeten wennen dat dit duale kader ten eerste niet langer opgaat en ten tweede nooit heeft gegolden.

En ik zeg ‘we moeten’ wennen, niet omdat ik u wil overtuigen, maar omdat het nodig is. Want het idee dat elk van ons observeerbaar of man of vrouw is, is nefast. Het is nl. schrikken als blijkt dat we “mis” waren en we door iemands uiterlijke verschijning “om de tuin geleid” werden. Dat schrikken vertaald zich vaak in onbegrip, afweer, agressie, gewelddadig gedrag…. en helaas ook maar al te vaak in aanranding, verkrachting of moord. De gewelddelicten in het leven van een transpersoon zijn legio. Elk jaar op 20 november herdenken we op “The Transgender Day of Remembrance” iedereen die omwille van het afwijken van gendernormeringen werd vermoord. De lijst is erg lang, te lang.

Maar ook alledaagse problemen zijn onverdraaglijk vaak aanwezig: werkloosheid, pestgedrag, vervreemding van vrienden, familie, relatiebreuken,… de draagkracht van transgender personen wordt herhaaldelijk op de proef gesteld, en zelfs de sterke karakters met een goed uitgebouwd netwerk om zich heen, kunnen de verschillende slagen soms maar met moeite incasseren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat transgender personen elkaar opzoeken, lief en leed delen en rekenen op steun bij elkaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de zelfmoordcijfers zo schrikbarend hoog liggen.

We moeten kortom werken aan meer begrip én meer nuance. Films als ‘the Danish Girl’ geven ons een heel klein stukje te zien van het leven als transpersoon. Maar net als het personage van Kaat in thuis is ook het verhaal van Lili Elbe in deze film – een verhaal dat zich over ettelijke jaren uitstrekte – samengebald in een veel korter tijdsframe. Deze herschrijving van het originele verhaal leidt als het op het onbekende thema van een transitie aankomt, tot onzorgvuldigheden en onjuistheden over hoe een transitie er voor velen uit ziet, namelijk als een meervoudig proces van graduele bewustwording en zelfrealisatie. Het geeft kortom de verkeerde indruk dat transpersonen op een knip en gauw een geslachtsverandering doormaken. Het echte verhaal van Lilli Elbe biedt veel meer nuance, en helaas een tragisch einde. Dat tragische einde van Lili Elbe vormt vandaag de dag nog steeds een grote uitdaging voor de kleine groep chirurgen die zich op deze materie toespitsen. Van 6-8 april 2017 organiseren we in Belgrado, Servië de tweede grote Europese conferentie i.v.m. transgenderzorg. Één topics die daar als hoofdlezingen staat geprogrammeerd gaat over de mogelijkheden van uterustransplantatie bij transpersonen. Haast 100 jaar na Lili Elbe zoekt de wetenschap en de klinisch praktijk nog steeds naar antwoorden.

Maar goed, cinema , TV, het mag nog ontspannend zijn ook. Dus : geniet er van, maar weet: wat volgt, is fictie, fantasy.

 

Gepubliceerd op 03-04-2017